Frankrijk ziet in republikeinse waarden als gelijkheid een instrument voor integratie. Critici zien liever dat het debat over concrete zaken gaat.
Franse politici mogen graag spreken over ’republikeinse waarden’. Wanneer er een pleidooi klinkt voor positieve discriminatie, of iemand suggereert dat de staat gaat meebetalen aan de bouw van moskeeën, klinkt het al snel bezwerend: „Dat druist in tegen de republikeinse waarden.”
In opdracht van president Sarkozy zette een commissie van wijzen, Le Haut Conseil à l’Intégration (HCI), zich aan een inventarisatie van die waarden. ’Sommige’, concludeerden de leden omzichtig, ’zijn tegengesteld aan de waarden van bepaalde immigranten’. Gelijkheid tussen man en vrouw bijvoorbeeld, en de scheiding van kerk en staat.
De commissie dacht ook na over ’republikeinse symboliek’ en ging na in hoeverre die kan bijdragen aan de integratie van nieuwkomers. Zo stelde het HCI vast dat de Republiek een gezicht heeft (Marianne), een hymne (La Marseillaise) en een feestdag (Quatorze Juillet of 14 juli).
Aan de keukentafel van haar appartement in de Parijse wijk Montmartre, bladert politicologe Sophie Duchesne met groeiende ergernis door het lijvige rapport van de commissie. „Altijd weer dat gedweep met symbolen! Alsof je daarmee de integratie bespoedigt!”
Duchesne doceert afwisselend in Oxford en Parijs en publiceerde veel over thema’s als burgerschap en nationale identiteit. Ze vraagt zich af wat er zo onderscheidend is aan de republikeinse waarden. „Alsof Frankrijk het alleenrecht heeft op vrijheid en gelijkheid!” Een paradox. De Republiek en bijbehorende waarden en symbolen zijn onlosmakelijk verbonden met de Franse identiteit. Tegelijk zijn ze ook universeel. Juist die combinatie maakt de republikeinse waarden volgens het HCI zo geschikt als instrument voor integratie. ’Onderschrijf ze en je zult Fransman zijn’ luidt het devies.
De werkelijkheid, benadrukt Duchesne, is veel gecompliceerder. Ze wijst op een tekening van de cartoonist Serguei in dagblad Le Monde. Te zien is Sarkozy, die een groep immigranten de republikeinse waarden voorhoudt. „Het mannetje met stokbrood en baret dat zegt daar geen boodschap aan te hebben, wordt gepardonneerd, omdat hij ’een echte Fransman’ is.” In dat woordje ’echte’ zit volgens Duchesne het venijn, omdat het duidelijk maakt dat het omhelzen van de republikeinse waarden niet volstaat en allerlei onuitgesproken codes bepalen wie zich Frans mag noemen en wie niet.
„Het is waar dat een afgebakende set waarden de nieuwkomer een zeker houvast kan bieden, maar tegelijk maskeert het gepraat over republikeinse waarden het feit dat de Franse samenleving gesloten is.” Het effect is volgens Duchesne contraproductief: „Als je een jongen van Arabische afkomst op school voorhoudt dat in de Republiek iedereen gelijke kansen heeft, terwijl hij weet dat hij vanwege zijn achternaam vijf keer minder kans heeft te worden uitgenodigd op een sollicitatiegesprek, waarom zou hij dan de rest wat je hem wilt leren wél geloven?”
Duchesne zou graag zien dat het integratiedebat in Frankrijk en daarbuiten minder over ’waarden’ ging en meer over concrete zaken, zoals werk. „Als eerdere immigratiegolven, de Italianen of de Portugezen, betrekkelijk makkelijk zijn geïntegreerd, was dat niet omdat ze de waarden van de Republiek omhelsden. Dat kwam in de eerste plaats omdat scholen nog niet opleidden tot werkeloosheid. Als het HCI per se een rapport moet maken, laat het dan over discriminatie gaan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.