Veertien archeologische vindplaatsen uit de Romeinse tijd en negen uit andere perioden worden rijksmonument. Ook al is er (bijna) niks te zien.
Onder de grond blijft het verleden beter bewaard dan wanneer we het opgraven. Tenminste, zolang we de bodem niet verstoren. Daarom heeft minister Plasterk gisteren 23 archeologische vindplaatsen aangewezen als rijksmonument. Veertien daarvan stammen uit de Romeinse tijd.
Van die nieuwe monumenten is niet veel te zien, maar dat is helemaal niet erg, meent Sim Visser. „Weten dat het er is, is op zichzelf al een bron van verwondering. Om in gedachten de Romeinse tijd terug te halen, is meer nodig dan wat tastbaar en zichtbaar bewaard is gebleven. Voor de samenleving is het prachtig dat de minister het erfgoed in situ wil bewaren, in zijn oorspronkelijke ligging. Dat is de beste garantie dat het overeind blijft. Vondsten zijn vaak spectaculair, maar de context is vaak nog interessanter.”
Visser is hoofd van de afdeling landschappelijk en stedebouwkundig erfgoed bij de rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten. De rijksdienst onderzocht de afgelopen jaren 1500 archeologische vindplaatsen die al wettelijk beschermd zijn en concludeerde dat de Romeinse tijd was ondervertegenwoordigd.
Als het gaat om bescherming van de Romeinse grens, de Limes, loopt Nederland achter bij het buitenland. De Muur van Hadrianus in Engeland en restanten in Duitsland staan op de Unesco-Werelderfgoedlijst. Maar in Nederland is de grens onzichtbaar. Vaak is ook niet duidelijk waar hij precies heeft gelopen.
„Het gaat niet alleen om de weg, maar alles eromheen: castella, gehuchten, haventjes”, zegt Marieke Berkers, samensteller van het boek ’Limesweg’. Daarin zijn de archeologische coördinaten vastgelegd van 214 vindplaatsen langs de hele route, van Arnhem tot Katwijk. Het tracé van ruim 150 kilometer loopt over 5665 precelen met 3722 eigenaren in 39 dorpen en steden. „Daaraan zie je hoe moeilijk het is om de Limes te beschermen.”
Om dat te bereiken, moet de overheid het onzichtbare zichtbaar maken, legt woordvoerder Ben de Vries van de rijksdienst uit. „De nieuwe monumenten zijn bijna allemaal recente vondsten: een scheepswrak, een wachttoren, een deel van de Romeinse weg. Dat is niet niks voor Nederlandse begrippen. Op dat scheepwrak in Leidsche Rijn kwamen tienduizenden mensen af. Toch is het beter om die vondsten onder de grond te bewaren en te zorgen dat ze niet beschadigen. Misschien zijn de technieken over honderd jaar beter, maar als we nu gaan opgraven, gaat zo’n archeologische vindplaats verloren.”
„Dat erfgoed toch zichtbaar maken doe je bijvoorbeeld met een les Romeinse geschiedenis, zoals de minister die gistermorgen heeft gegeven op de Oranjeschool in Den Haag. Of door de contouren van het eerste castellum in het stratenpatroon van het Utrechtse Domplein. Daar ligt een spleet midden in een winkelstraat, waar met kleuren en stoom duidelijk wordt: hier stap je de Romeinse tijd binnen.
Hetzelfde zie je op het Kerkplein in Woerden, waar je daadwerkelijk door een poort van anderhalve meter heen de Romeinse tijd inloopt. In de parkeergarage eronder zet je je auto naast een vitrine met Romeinse vondsten en een tekening van hoe het kampement eruit zag. In Leidsche Rijn, de grootste archeologische site van het land, laat een hap in een rijtje huizen zien waar de Limes liep. Daar ligt nu een voet- en fietspad.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.