Flink getraind voor een toekomst waarin we weinig meer weten. Zo moet het dus zijn als er geen houvast meer is, geen enkele aanwijzing. Zo zal het zijn als we bij het wakker worden in een waas tasten. Is het een dag waarop er iets gaat gebeuren? Een dag met een bepaald programma? Moeten we ergens heen? Naar de kerk, naar het werk of naar de winkel? Of is het een dag zonder kerk en zonder winkel. En is er eigenlijk nog wel iets te eten in huis, stel dat het een dag zonder werk en zonder winkel is? Dagen zonder verband. Misleidende dagen. Naar de kerk op een donderdag, en de dag erna geen kerk, maar ook geen supermarkt. En geen krant in de bus.
Het duurt te lang, al die dagen waarop die vaste punten zomaar door elkaar gehusseld zijn. Als ik wakker word, weet ik niet alleen niet welke dag het is en of ik in actie moet komen of me om kan draaien, maar vraag ik me ook wel eens af waar ik ben, in welke kamer, in welk huis.
De oude dame die ik af en toe spreek, is net zo in de war als ik. Voor haar is het nog moeilijker, want zij heeft niet die vijfde januari in het zicht, de dag waarop alles weer gewoon wordt. Het enige houvast dat ik haar kan bieden is dat ik ook niet meer weet wat elke dag van mij verlangt en of het nu weekend is of doordeweek. Daar heeft ze niet veel aan natuurlijk. Of misschien dat ze weet dat het niet aan haar ligt dat het een wat verwarrende tijd is. Ook de, in haar ogen, jonge, gezonde, werkende mensen hebben last van gedesoriĆ«nteerd zijn, van wat verdwaasd rondtasten door de dagen. „Het geeft niet, hoor, ik heb het ook”, roep ik haar elke dag weer toe. Ze knikt alsof ze het steeds voor het eerst hoort.
Waarom ben ik er nog steeds niet aan gewend? Of is het de naderende aftakeling? Na enkele tientallen jaarwisselingen zou ik er mijn hand niet meer voor hoeven omdraaien, om een weekje uit de routine te stappen en nu eens op een frisse, nieuwe manier de dagen hun bestemming en besteding te geven. Wat krijgen we nu? Verval, verstarring?
Ik sluit niets meer uit. Ik ben er inmiddels te oud voor geworden, om te denken dat onheil mij voorbij zal gaan. Vroeger dacht ik dat wel, wist ik het zeker. In het donker langs een eenzame weg door de weilanden fietsen, dat kon heus wel, pa, niets aan de hand. Mij pakten ze niet. Of met een noodvaart met mijn racefiets van een berghelling af, zonder helm, dat ging heus wel goed, mam. Kanker, dat was voor mensen uit heel andere families en ongelukken, daar las je over in de krant. Dement worden gebeurde op je negentigste en dat was nog zo ver weg, dat het niet voor de hand lag dat we dat ooit bij bewustzijn zouden meemaken.
En kijk nu eens hoe de wereld eruitziet. Misschien raak ik daar wel in de war van, dat alles zo heel anders is gegaan dan ik altijd gedacht had. Zo anders, dat het wat harder nodig is dan vroeger, dat de dagen zich voorspelbaar gedragen. Kerk alleen op zondag, winkels door de week open. Geen fratsen. Dat gehussel met de dagen kon vroeger wel, toen was dat zelfs spannend en avontuurlijk en prettig verrassend. Maar nu is het hinderlijk en raak je ervan in de war. Gelukkig is het alweer 6 januari. Een gewone dinsdag waarop winkels open zijn, er geen viering is bij mij in de kerk en er gewoon gewerkt wordt.
Zalig. Ik ben weer bij de tijd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.