„Meester, gaan we het de hele les over wippen hebben?” grapt Mikey, tweedeklasser aan de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (OSB). Natuurkundeleraar Joost Lengkeek glimlacht. „Zullen we het dan wipwappen noemen?”
De les gaat over evenwicht. De leerlingen zitten in een kring, middenin staan een wip en een paar gewichten. Daarmee laat Lengkeek zien hoe je ondanks verschillen in gewicht evenwicht kunt bereiken: het zwaardere gewicht moet dan dichter bij het draaipunt staan.
De OSB is een bijzondere school. De brugperiode duurt hier niet één, maar twee jaar. Nog uitzonderlijker is dat alle niveaus, van vmbo-basis tot vwo, deze twee jaar bij elkaar in de klas zitten.
Na Lengkeeks uitleg is te zien hoe dat in de praktijk werkt. De leerlingen gaan in groepjes aan het werk. Ze mogen ofwel de zojuist uitgelegde theorie in hun schrift uitschrijven, of met wipwapjes en gewichtjes uitzoeken hoe het werkt.
Ook de sommen die Lengkeek opgeeft, kunnen op twee manieren opgelost worden. „Voor de een is het duidelijker om het te doen, voor de ander om het uit te rekenen. Het is allebei goed.”
De gedachte achter de brede brugperiode is dat leerlingen daardoor langer de tijd krijgen om te laten zien wat ze kunnen, voordat ze kiezen tussen vmbo, havo en vwo. „Vmbo’ers kunnen zich optrekken aan vwo’ers en vwo’ers ontwikkelen zich zo niet alleen cognitief, maar ook sociaal”, zegt OSB-directeur Saskia Grotenhuis.
Dat is moeilijk genoeg, erkent Grotenhuis. „Het gevaar is dat je je richt op de middenmoot. We dagen vwo’ers soms niet genoeg uit. Dat willen we verbeteren.”
Tweedeklasser Jessie ter Bruggen –volgend jaar naar de havo, hoopt ze– heeft daar geen last van. Haar bevalt het goed, die verschillende niveaus in één klas. „Je merkt wel verschil. De vwo’ers zijn stiller en ze letten beter op.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.