Hier, op deze plaats, letterlijk aan de achterzijde van het grote nieuws, in de schaduw en de luwte ervan, maar zo dichtbij dat zijn zwaarte en zijn hitte voelbaar zijn, hier op deze plaats dus, zou ik willen beginnen met het allerkleinste nieuws, zo klein dat het in het niet valt, en als iets in het niet valt, ja, dan moet je je welhaast van de poëzie bedienen om het te naderen.
Het was nog 2008, de laatste dagen, een koude lag over het land, en we verbleven in het Brabant van Guus Meeuwis, waar heel laat nog het licht brandt. Een schaatsland is dit niet, hier zijn geen Elfsteden, geen grote meren met kragen van riet, dit is zand en heide en naaldbos. En vennen, heel veel vennen.
Een ven is een deukje in het landschap waar het water in blijft staan. Een van die talloze deukjes hadden we uitverkoren om de kinderen op hun schaatsen te zetten, om ze hun allereerste ervaring met natuurijs te geven, om ze onze diepe zielsverwantschap met dit land te laten voelen: dit, meiden, is Nederland, zoals het in onze genen zit. En opa was erbij, lang, rijzig, de muts, de trainingsbroek, de hoge noren – die slag, licht voorover gebogen, de handen op de rug, in hem kwam Nederland samen, Friesland, de elf steden, onze geschiedenis met het ijs, alles in die zwierige gang op dat Brabantse ven, beschenen door de winterzon.
Het Witven bij Someren.
Alleen de naam al, een gedicht. En hoewel geen schaatsland waren ze gekomen, de Brabanders, met hun sleetjes, hun ijshockeysticks, hun stoeltjes en dekens, en ze regen zich moeiteloos in de keten van een traditie, die na een tiental zachte winters verbroken leek. ’We hebben het schaatsen verleerd’ kopte De Telegraaf, want er waren veel ongelukken in het land, waarvan één zeer tragisch, maar tegelijkertijd vlogen de schaatsen bij de firma Viking bij duizenden de deur uit. Nieuws was voor het Grote Journaal ook dat een brandweerauto tegen een boom botste, toen hij op weg was een hond uit een wak te redden, en toen een tweede auto arriveerde was het voor de hond te laat.
Dat kon op het Witven niet gebeuren, daarvoor was het te ondiep. De hond die ik er zag was een Ierse setter die een kindersleetje voorttrok en door zijn baasje in bedwang gehouden moest worden.
Een ander dier vonden we nog. Een ree, bevroren in het ijs. Hij droeg een doodskleed van rijp, in zijn flank een gapend gat, waaruit een aaseter zijn ingewanden had getrokken – ze lagen een halve meter verderop. En altijd weer – bij de aanblik van zo’n dode ree -– de notie van psalm 42, dat hijgende hert aan de jacht ontkomen, en van Bambi natuurlijk, die op het ijs zulke mooie pirouettes maakte. De ree op het Witven moet op de vlucht voor zijn jager door het nog dunne ijs gezakt zijn, voor de winter toesloeg en hem omhulde en hem aan ons overdroeg als een memento mori waaromheen we ons volksvermaak organiseren en onze verbondenheid met het land vieren, wij en opa en de kinderen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.