De genetische diversiteit van Afrikanen is in kaart gebracht. Dat verraadt hun herkomst, maar is ook handig bij het testen van medicijnen.
De eerste moderne mens leefde in het zuidwesten van Afrika, aan de kust tussen Namibië en Angola. Hij verliet het continent uiteindelijk in de buurt van het midden van de Rode Zee. Dat zijn conclusies die onderzoekers trekken uit de grootste studie ooit naar de genetische samenstelling van Afrikanen, deze week in Science.
Een grote groep onderzoekers ging op pad om DNA te verzamelen van vierduizend mensen, afkomstig uit 121 Afrikaanse bevolkingsgroepen verspreid over het hele continent. De onderzoeksgroep, onder leiding van Amerikaanse Sarah Tishkoff, heeft verder een ’verschrikkelijk grote genetische diversiteit gevonden, veel groter dan op andere continenten’.
Dat verwondert Steph Menken, hoogleraar evolutiebiologie in Amsterdam, niet. „De mens is ontstaan in Afrika en bracht daar verreweg het grootste deel van zijn bestaan door. In het gebied waar een soort ontstaat, is de diversiteit altijd het grootst. Kolonisten van nieuwe leefgebieden vormen altijd een afsplitsing van de oorspronkelijke groep. Die bergt maar een gedeelte van de genetische variatie in zich.”
Een groter arsenaal aan genen is niet zonder voordelen. „De kans dat er toevallig een genetisch profiel tussen zit dat resistent is tegen een bepaalde ziekte is groot”, zegt Rolf Hoekstra, hoogleraar genetica. „Zo is het bekend dat in Afrika sommige mensen niet vatbaar zijn voor aids.”
De grote genetische verscheidenheid tussen mensen is tegelijkertijd een belangrijke les voor de medische wetenschap. Menken: „Nu worden medicijnen meestal nog getest op studenten tussen de 20 en 25 van het Kaukasische ’ras’. Maar beter is het om medicijnen te ontwikkelen op individuele basis, omdat de een bijvoorbeeld gevoelig is voor bepaalde bijwerkingen en de ander niet.” Het onderzoeksteam raadt medici dan ook aan nieuwe geneesmiddelen te testen op genetisch verschillende groepen, waarvan nu ook in Afrika bekend is waar ze precies wonen.
Vaak komen de genetische groepen die onderzoekster Tishkoff en haar collega’s optekenden overeen met taalfamilies in Afrika. „Het interessantst zijn de uitzonderingen: de gebieden waarin volkeren wél dezelfde taal spreken als hun buren, terwijl hun genetisch materiaal volslagen anders is”, zegt Hoekstra.
Eén van de groepen waarvoor dit geldt, zijn de Pygmeeën. De Pygmeeënvolken, die als eilandjes in het midden van Afrika leven, komen genetisch overeen met bevolkingsgroepen die een kliktaal spreken en in het zuidwesten leven. De onderzoekers vermoeden dan ook dat de Pygmeeën vroeger hun taal doorspekten met klikjes, net als de volken waarmee ze een voorouder delen.
Tishkoff en haar onderzoeksploeg bekeken ten slotte de genetische samenstelling van Afro-Amerikanen. Ze ontdekten dat deze groep voor 71 procent bestaat uit genen van West-Afrikaanse voorouders – niet verwonderlijk, gezien de slavenhandel. Opzienbarender is dat 13 procent terug te voeren is op Europese genen, en 8 procent op genetisch materiaal van bevolkingsgroepen elders in Afrika.
„Dat duidt erop dat er ook slaven werden gehaald aan de oostkust van Afrika, die rond de kust naar het westen werden verscheept en dan naar Amerika”, vermoedt Tishkoff.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.