*

 

Algerijnse president vreesde alleen een lage opkomst

Paul-Kleis Jager − 10/04/09, 00:00

Algerije kon gisteren president Bouteflika herkiezen. Twee oppositiepartijen boycotten de verkiezingen, want meedoen was zinloos.

Algiers is van onder tot boven beplakt met het portret van de leider, Abdelaziz Bouteflika. Die overdaad oogt vertrouwd in een autocratische politiestaat als Algerije. Er is vrijwel geen spoor van de vijf tegenkandidaten bij de presidentsverkiezingen.

Dat een paar Franse tijdschriften met kritische stukken over de president niet mochten verschijnen, past in het beeld. Maar ook al liggen die bladen niet in de kiosk, de Algerijnse democratie is er nog niet zo slecht aan toe dat de toegang tot internet is beperkt. Zo kon iedereen toch lezen dat Bouteflika, aan de macht sinds 1999, vertrouwelingen heeft toegefluisterd dat hij wil sterven in het harnas.

Of het vooral die passage in L’Express is die Bouteflika niet beviel is onduidelijk, maar dat de 72-jarige president kan aanblijven zolang hij leeft valt niet te ontkennen. Een paar maanden geleden stemde het parlement in met zijn voorstel om de beperking op het aantal mandaten voor het staatshoofd te schrappen. Omdat ze vonden dat meedoen toch geen zin had, boycotten de twee belangrijkste oppositiepartijen de verkiezingen: de socialistische FFS en RCD, de Rassemblement pour la culture et democratie.

De resterende kandidaten hadden niets van het gewicht of het charisma van Bouteflika: zij werden ’de hazen’ genoemd. De Trotskiste Louisa Hannoun staat te boek als ’de enige man’ in dit gezelschap. Hannoun wordt geprezen om haar oratorische gaven, maar kwam in 2004 niet verder dan 1 procent van de stemmen.

Enige probleem voor Bouteflika bij de stembusgang van gisteren, die zijn derde termijn moest legitimeren, was de opkomst. Als veel kiezers het voor gezien hadden gehouden, dan zou dat een opsteker zijn voor Bouteflika’s tegenstanders, de islamisten inbegrepen. De veteraan van de strijd voor onafhankelijkheid van Frankrijk wilde daarom een grote opkomst en kreeg die: 62 procent.

Volgens zijn medestanders verdient Bouteflika ruime steun. Vooral vanwege de rust die hij bracht na de burgeroorlog van de jaren negentig. Dat conflict begon in 1992 toen de islamisten van het FIS de verkiezingen wonnen.

Aan het einde van die vuile oorlog tegen de islamisten, waarbij 150.000 doden vielen, was de reputatie van het leger zo slecht, dat sommige generaals vreesden voor vervolging in het buitenland. Gezocht werd naar een diplomaat die van Algerije weer een respectabel land kon maken. Dat werd Bouteflika, in de jaren zestig en zeventig minister van buitenlandse zaken. Onder Bouteflika hielden duizenden terroristen het voor gezien, in ruil voor amnestie. Een harde kern activisten blijft een gevaar. Zij noemen zich ’Al-Kaida in de islamitische Maghreb’ en pleegden een aantal spectaculaire aanslagen.

Bouteflika laat zich voorstaan op het veiligheidsbeleid, dat ook waardering krijgt in het buitenland. De EU, dat 20 procent van de gasbehoefte uit Algerije importeert, vreest oplaaiend geweld dat een stroom van vluchtelingen op gang kan brengen. De VS rekenen op Bouteflika in de strijd tegen Al-Kaida.

De president prijst ook zijn verrichtingen aan op het gebied van huisvesting en werkgelegenheid. Maar de meerderheid van de 35 miljoen Algerijnen leeft in armoede, ondanks de stijgende olie-inkomsten. Aardappels zijn plotseling het symbool van die misère: in een paar dagen tijd werden ze vijf keer zo duur.

mailIcon print |