*

 

Waarom zijn fooien zo link?

Ger Groot − 02/04/09, 00:00

Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een wekelijkse polemische column.

Wie in de Verenigde Staten uit eten gaat, moet bij het afrekenen goed opletten. Anders dan in Europa is het bedieningsgeld er niet inclusief en dus moet er bij het bedrag nog een fikse bonus worden meegerekend. Daar zijn ongeschreven wetten voor, waarover je je als buitenlandse toerist of incidentele horecabezoeker maar beter goed kunt informeren.

Zo niet, dan slaat de vriendelijke glimlach van de ober of serveerster gemakkelijk om in een frons of ergernis. En begrijpelijk is dat wel. Het bedienend personeel is voor een belangrijk deel van zijn inkomsten op diezelfde fooien aangewezen. Het vaste salaris stelt meestal nauwelijks iets voor. Meer dan een werknemer is een Amerikaanse ober dus een soort franchisehouder die een particuliere negotie uitbaat, zoals sommige slagers of groentemannen dat in supermarkten doen.

Met een beetje goede vakantiewil valt zoiets nog wel te rekenen tot de exotische charmes van het bezochte land, maar enigszins gênant is het wel. Want de fooi bestaat niet alleen uit het vaste percentage dat de klant vliegensvlug over het gepresenteerde eindbedrag berekenen moet. Het wordt óók bepaald door de kwaliteit van de service: snelheid, attentheid en de vraag have you been greeted with a smile?

Het werkt, want die smile is er – anders dan in de vaderlandse horecagelegenheden – inderdaad altijd. En gemeend of niet: dat doet er voor de klant uiteindelijk niet zoveel toe. Vrienden voor het leven hoeven we tenslotte niet te worden. Maar wat gaandeweg wel binnensluipt, is twijfel aan de oprechte professionaliteit van de betreffende beroepsgroep.

De fooi beklemtoont ongewild dat de ober alleen maar bereid is zijn werk goed te doen wanneer daar een onmiddellijke financiële ’plus’ tegenover staat. Hij gaat, met andere woorden, uit van een volstrekte afwezigheid van beroepstrots en -plezier. De vakman die eer stelt in zijn arbeid zelf lijkt ongemerkt te zijn verdwenen. Nu kan men zich dat bij het vak van ober nog wel voorstellen, al bewijzen de ZuidEuropese landen dat het ook anders kan, met een professionele kellnerstand, waardoor je je met genoegen laat bedienen.

Maar op een heel ander niveau is inmiddels duidelijk geworden waartoe dat wantrouwen jegens de beroepseer kan leiden. In de financiële sector is de bonus wat de fooi is voor de kellner. En de beleefde verwachting van de laatste om bij de rekening een passend extraatje te zullen aantreffen, is er omgeslagen in regelrechte chantage.

Als de fooi niet wordt verstrekt, zal het werk niet goed worden gedaan of lopen de werknemers weg – zo luidt steevast de rechtvaardiging van het bonus-systeem. De implicaties daarvan slaan je kil om het hart. Kennelijk heeft de werknemer zijn werkgever in een houdgreep. Komt die laatste niet fors over de brug, dan verdwijnt niet alleen de glimlach, maar dreigt er zelfs een impliciete boycot.

Ook hier is de werknemer binnen het bedrijf waarvoor hij zich zou moeten inspannen dus de franchisehouder geworden van een eigen persoonlijk onderneminkje. Het werk dat hij moet verrichten is niet langer zijn trots; het is de inzet geworden van een stilzwijgende afpersingspraktijk, die zo maffioos niet kan zijn of ze wordt inmiddels als normaal beschouwd.

Verdwenen is het fatsoen waarmee men het werk waarvoor men is aangenomen op vanzelfsprekende wijze goed verricht. Het grootste slachtoffer van deze fooienpraktijk is dan ook het arbeidsethos – waarvan deze zelfde bonus-lichters gewoonlijk zo hoog opgeven. Trots op hun beroep kunnen zij dan ook vóór de kredietcrisis al niet geweest zijn. Arbeid was altijd al niet meer dan een gijzelaar waarvoor losgeld moest worden betaald. Om de waarde die het zélf had en verdiende, bekommerde niemand zich meer.

mailIcon print |