Moraalfilosofe Susan Neiman voerde vol overtuiging campagne voor Obama. Niet omdat hij verlossing zal brengen, maar omdat hij het woord ’hope’ vult met klassieke Verlichtingsidealen.
Ze was erbij toen Barack Obama zijn overwinningsspeech hield en is er vandaag bij als hij wordt geïnaugureerd.
De Amerikaanse moraalfilosofe Susan Neiman vertelt het met zichtbaar genoegen. Haar nieuwste boek, ’Morele helderheid’, ging net te vroeg naar de drukker. Anders had hij er zeker een prominente plaats in gekregen. Eindelijk weer iemand die de idealen van de Verlichting een warm hart toedraagt. Want daar is het Neiman om te doen in haar boek: een rehabilitatie van dit erfgoed.
Ze laakt de manier waarop de neoconservatieven ermee zijn omgesprongen, maar één ding moet Neiman hen nageven: ze generen zich er tenminste niet voor te spreken over grote thema’s als goed en kwaad en vooruitgang. Ze zijn ervan overtuigd dat ideeën ertoe doen. „Ideas have consequences,” haalt ze de rechtse en immens populaire radiomaker Rush Limbaugh aan.
Kom daar maar eens om in het progressieve kamp. Principes heten daar al gauw grote woorden. Als ze er al over spreken, dan tussen aanhalingstekens: ’voortuitgang’, geen vooruitgang. Er zitten te veel haken en ogen aan om ze argeloos te gebruiken. Deze terughoudendheid is vreemd, want was het links niet ooit begonnen om emancipatie? Hoe heeft het zover kunnen komen dat links ongeveer alle pretentie heeft laten varen? Die transformatie voltrok zich in de jaren zeventig. In navolging van Marx ging men ideeën beschouwen als niet meer dan een uitdrukking van onze belangen. De inhoud van onze portemonnee of onze maatschappelijke positie zou bepalen wat we denken.
Neiman wijst erop hoe dat leidde tot ’wantrouwen van idealistische taal’. In plaats van idealen na te jagen, moesten ze ontmaskerd worden. Als je maar lang genoeg zocht, kwam je er wel achter waarom iemand dacht zoals hij dacht. De nieuwe heilige graal van links laat zich één woord vangen: gotcha!, betrapt!
Zo zetten progressieven hun eigen gedachtengoed buitenspel. Het recept van Neiman luidt: Ad fontes. Terug naar de bron: naar de Verlichting, toen de gedachte postvatte dat we de wereld in betere staat konden achterlaten dan we haar aantroffen.
Nieman stoort zich aan de karikatuur die van deze traditie wordt gemaakt. „De Verlichting wordt bekritiseerd, omdat ze zou denken dat mensenhanden te veel voor elkaar kunnen krijgen. Ze wordt beschuldigd van arrogantie. De Verlichtingsdenkers waren tamelijk bescheiden over de mate waarin mensen de wereld kunnen herinrichten.”
De grootste van de Verlichtingsdenkers noemt zij Immanuel Kant. Hij onderscheidde de wereld zoals die is scherp van de wereld zoals die zou moeten zijn. Neiman verdedigt zelfs „dat het onderscheid tussen zijn en moeten het belangrijkste is dat we ooit maken.” Zonder zouden we überhaupt niet aan ethiek en politiek kunnen beginnen.
Aan de ene kant heb je pragmatisten of realisten, die vooral oog hebben voor de wereld zoals die is. „Als je denkt dat ervaring je alles vertelt wat echt is en dat de rest maar een droom is, ben je niet gemotiveerd om iets te veranderen.” Commentaar op misstanden komt niet veel verder dan de schouders ophalen.
Op hun beurt kunnen utopisten een dosis van deze nuchterheid goed gebruiken. Ze laten zich verblinden door de manier waarop de wereld zou moeten zijn. Hun doelen hebben ze al te scherp in het vizier; de middelen om die te bereiken worden daaraan ondergeschikt gemaakt. Neiman noemt Stalin als iemand die zich daar eenzijdig op heeft gericht. Hoe dat heeft uitgepakt, is bekend.
Beide kampen proberen, elk op hun eigen manier, de spanning tussen zijn en moeten op te lossen. Maar die is niet op te lossen, aldus Neiman, en dat moeten we ook niet willen. In het voetspoor van Kant benadrukt ze dat beide realiteiten even echt zijn. „Je moet jezelf steeds weer afvragen: geef ik beide evenveel gewicht?”
Maar het spanningsveld blijft. Dat is frustrerend, misschien zelfs tragisch. Neiman is niet zo somber. Stel dat de wereld perfect zou zijn. Het klinkt aanlokkelijk als zijn en moeten samenvallen, maar ze betwijfelt of de best mogelijke wereld ons voldoening zou schenken.
Neiman gaat nog een stap verder: hoewel de kloof tussen de realiteit en idealen ons dikwijls tot wanhoop drijft, is zij tegelijk een voorwaarde voor ons geluk. Hoeveel voldoening schenkt een prestatie die zonder enige moeite tot stand komt? Een medaille dankt zijn glans aan de jaren van afzien die eraan vooraf gingen. „Een interessante paradox, zonder welke we niet kunnen leven.”
Hoe vruchtbaar deze paradox is, hangt af van de manier waarop we ermee omgaan. Neiman beschrijft vier Verlichtingswaarden die kunnen fungeren als leidraad. Bij de rede kunnen we ons iets voorstellen – voor velen is Verlichting synoniem voor rationalisme. Maar hoop als een typische waarde van de Verlichting? Hopen doen we toch al veel langer?
Nieman wil iets rechtzetten. Hoop is iets anders dan optimisme. Het laatste doet een uitspraak over hoe de wereld is, namelijk goed. Hoop is niet zo zelfverzekerd en houdt een slag om de arm. Zij is de ’claim die alleen maar zegt dat de wereld zo is dat er een kans bestaat dat ze zou kunnen zijn zoals ze zou moeten zijn’.
Deze definitie is relatief nieuw. Tot de Verlichting had hoop een religieuze connotatie, verbonden met verlossing in het hiernamaals. Tot de achttiende eeuw, toen men zelfverwerkelijking in het hiernumaals begon te situeren. Zo transformeerde hoop in ’de overtuiging dat verandering mogelijk is in je wereld, tijdens je leven en door je inspanningen’. We hoeven ons niet zomaar bij de feiten neer te leggen.
Neiman noemt de uitvinding van penicilline als voorbeeld. Waarschijnlijk waren haar kinderen er niet meer als dat niet had bestaan. „Penicilline is niet slechts een technologische vooruitgang, maar net zo goed morele. Het medicijn zegt: iedereen heeft recht op gezondheid. Ziekte is geen straf van God.”
Makkelijk is het niet, hopen. Het kost minder inspanning in scepsis te vervallen – sla er de kranten maar op na – en een crescendo van doem te ontwaren. Net zoals het natuurlijker is toe te geven aan slechte gewoontes als hebzucht dan er verzet tegen te bieden. Neiman noemt hoop een deugd: „Zij vergt strijd en eist iets van ons.”
Over scepticisme gesproken: critici hebben Obama vaak verweten dat hij beloften doet die hij nooit kan waarmaken. In hun kritiek nemen ze een voorschot op de harde botsing met de realiteit die er onvermijdelijk komt. Natuurlijk moeten we waken voor messianisme, meent Neiman, maar net zo goed bestaat het risico dat we doorschieten en hoop diskwalificeren.
Neiman wijst erop dat Obama in zijn overwinningsspeech in Chicago de verwachtingen temperde. Hij komt aan de macht onder een ongunstig gesternte. Allereerst is er de economische crisis, daarnaast Irak en Afghanistan. Dossiers zo complex dat ze zich niet zomaar oplossen.
Op burgers kan de omvang van deze problemen verlammend werken. Wat kun je als individu bijdragen wanneer er honderden miljarden nodig zijn om de economie draaiende te houden? Inderdaad, hopen dat de malheur niet te lang duurt.
Deze vorm van hoop begint waar ons vermogen om in te grijpen eindigt. Neiman vergelijkt hem met onze inspanning wanneer we meedoen aan een loterij. Na aanschaf van een lot, kunnen we alleen maar duimen. Zo is hoop een uitdrukking van onze onmacht, terwijl het omgekeerd zou moeten zijn: hoop als aanjager van ons handelen.
Hoe zij kan worden aangewend als productieve kracht, liet Obama zien. Telkens weer benadrukte hij dat Amerikanen meer gemeen hebben dan dat hen scheidt, de belofte van de Founding Fathers. Die boodschap sloeg aan. Duizenden mensen, onder wie Neiman, zetten zich op de een of andere manier in voor Obama’s campagne. Hoe voorkom je dat dit engagement wegebt? „We dachten dat het feest zou zijn op 19 januari, de dag voor Obama’s inauguratie. Maar hij zei: dit wordt een dag van national service: We vragen iedereen een bijdrage te leveren aan zijn gemeenschap.” Neiman heeft al ingetekend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.