*

 

Dolen in het brein van Calvijn

Emiel Hakkenes − 17/01/09, 00:00

Het is dat protestanten geen heiligen kennen, anders was Calvijn een goede kandidaat geweest. In Genève staat een museum gewijd aan zijn gedachtengoed. „Hij is een held”, zegt de directrice.

Het is een veelzeggend staaltje geschiedvervalsing, ruim 250 jaar na dato geschilderd: een zieke Johannes Calvijn, omringd door vertegenwoordigers van kerk en overheid. Liggend op zijn sterfbed lijkt de reformator zijn toehoorders nog steeds te onderrichten uit de Bijbel. In een van de zaaltjes van het Internationale Reformatiemuseum in Genève kijkt predikant Douwe Visser meewarig naar de afbeelding. „Ik ben net zo oud als Calvijn toen”, zegt hij. „Maar op zijn 54ste was Calvijn kapot. Hij had zich doodgewerkt.”

Hard werken, dat kunnen calvinisten wel, zegt Visser, voorheen dominee in Overschie en sinds vorig jaar theologisch secretaris bij de Wereldbond van Hervormde en Gereformeerde Kerken (WARC) in Genève. „Wat zou Calvijn gedacht hebben: straks sta ik voor God en heb ik te weinig gedaan? Dat vraag ik me af. Toch zit dat werken in onze protestantse genen. Ik zie het ook op kantoor bij de WARC. Altijd maar werken, weinig tijd voor plezier. Alsof het anders niet goed komt met de gerechtigheid in de wereld.”

Zo goed als de calvinist is in hard werken, trots zijn op behaalde resultaten vindt hij lastig. Visser: „Als protestanten realiseren we ons veel te weinig welke mogelijkheden de figuur Calvijn biedt om onszelf te presenteren. Ik zeg nu te pas en te onpas dat ik werk voor de grootste organisatie ter wereld in de voetsporen van Calvijn.”

Kerken uit 107 landen zijn bij de WARC aangesloten. Visser: „Daarom voel ik de verantwoordelijkheid uit te dragen wat Calvijns erfenis voor deze tijd betekent.”

We wandelen door het Geneefse Musée International de la Réforme met directrice Isabelle Graesslé. Zeker, zegt ze, een museum inrichten over wat toch vooral ideeëngeschiedenis is, is best ingewikkeld. „We proberen zoveel mogelijk beeldmateriaal te verzamelen waarin die ideeën naar voren komen. Zo hebben we spotprenten uit Calvijns tijd waarop de paus wordt afgeschilderd als de antichrist. Zelfs katholieke bezoekers vinden dat leuk.”

En nee, lacht Graesslé, geen katholiek hoeft te schromen voet over de drempel te zetten. „Ik wil graag dat iedereen die hier komt, zich vermaakt en weggaat zonder het gevoel dat hij er ingeluisd is. Bekeren, daar doen we niet aan. Volgens mij is dat bijna onmogelijk: om het calvinisme écht te snappen, moet je er in geboren worden.”

In het vijfhonderdste geboortejaar van de reformator blijft Genève – waar Calvijn twee perioden woonde en werkte – niet achter. Het hele jaar zijn er lezingen, debatten en tentoonstellingen. Douwe Visser heeft de eerste expositie al achter de rug: in de hal van het WARC-kantoor, dat onder hetzelfde dak huist als de Wereldraad van Kerken, toonde hij gekalligrafeerde teksten van Calvijn, waarin een verrassende kant van de man aan het licht komt. Visser: „Calvijn schrijft dat het in het geheel niet verkeerd is om te lachen en te genieten van muziek, eten, wijn en nieuwe spullen. Als je verder leest, waarschuwt hij voor overconsumptie en hebzucht, maar dat van dat genieten heeft hij dan al wél gezegd.”

Isabelle Graesslé treft voorbereidingen voor een multimediale tentoonstelling, die de bezoeker een dag uit het leven van Calvijn laat meemaken. Ze maakt zich wel een beetje zorgen. „Ik ben verrast door de belangstelling. Als dat zo doorgaat, staan de bezoekers straks rijendik op de binnenplaats. Daar moeten we wat op verzinnen.”

In de laatste zaal van het museum wordt de bezoeker opgewacht door een levensgroot standbeeld van Calvijn. „Protestanten hebben geen heiligen”, zegt Douwe Visser. „Maar dit komt wel in de buurt, hoor.”

„Calvijn is geen heilige, maar wel een held”, zegt Graesslé. „Zelf zou hij zich eerder een profeet dan een heilige noemen. Met heel wat van zijn opvattingen heb ik moeite, maar wat ik mooi vind is dat hij als zevenentwintigjarige een heel nieuwe theologie ontwikkelde.”

Toch heeft het reformatiemuseum maar weinig aandacht voor Calvijns schaduwkanten, voor zijn tijdgenoten en geestverwanten. Er hangt wel een schilderij van de Bartholomeüsnacht, de moordpartij onder protestanten in 1572, maar de bezoeker zoekt vergeefs naar materiaal over het proces tegen Michel Servet, die door toedoen van Calvijn op de brandstapel belandde.

„En óf Calvijn mindere kanten had”, zegt Douwe Visser. „Ik las een verhaal over een Geneefse middenstander die iets lelijks over Calvijn had gezegd. Calvijn droeg de man op om met een kaars door de stad te lopen en op elk kruispunt vergiffenis te vragen. Hij redeneerde dat niet zíjn eer maar Gods eer in het geding was. Als je die twee laat samenvallen, denk je te kunnen spreken namens God. Dat vind ik gevaarlijk.”

Isabelle Graesslé: „Voor mij is Calvijn een mens als ieder van ons, met goede en slechte kanten. Al had ik natuurlijk liever gezien dat hij Servet niet op de brandstapel had laten belanden, dat hij wat knuffelbaarder zou zijn. Maar hij was een man van de zestiende eeuw; vijfhonderd jaar later is het lastig oordelen.”

Er is wel wat veel Calvijnadoratie in het museum, erkent Graesslé. „Maar het gaat de goede kant op. Het museum bestaat nog maar kort. In het begin bezaten we vooral matige portretten van oude mannen. Onze collectie wordt steeds diverser. Mijn doel is een evenwichtig beeld van de Reformatie te schetsen. Natuurlijk, daar hoort ook de beeldenstorm bij. Dat je daar nu niets over ziet, heeft een simpele reden: we bezitten er nog geen materialen van. Het museum is een werk in uitvoering.”

Douwe Visser kijkt nog eens naar het schilderij van de stervende Calvijn. „Die strenge, hardwerkende man ging graag zeilen, schijnt het. Daarom dacht ik: waarom organiseren we niet de Calvijn-regatta, hier op het meer van Genève?”

Die sterfbedscène, weet Isabelle Graesslé, dateert uit de negentiende eeuw. Of de reformator er werkelijk zo uitzag, is onduidelijk, er bestaat geen bij leven geschilderd portret van hem. Al die mensen om zijn bed waren er zéker niet bij. Ze staan er als symbool voor het belang dat Calvijn toegekend wordt. „Die verering ontstond in een tijd dat legenden opleefden. In Bern werd Wilhelm Tell uit de veertiende eeuw tot held gemaakt”, zegt Graesslé. „Toen dachten ze in Genève: wij hebben Calvijn.”

mailIcon print |