*

 

Een ondoordachte boycot tegen ’t onwelgevallig woord

Willem Breedveld − 22/04/09, 00:00

Meer meningsuiting. More speech. Zo luidt de vaste tegenwerping van het Amerikaanse Hoogste Gerechtshof aan het adres van geprangde bevolkingsgroepen, die zich geschoffeerd voelen door lasterlijke of blasfemische uitingen over hun religie of diepste levensovertuiging. Als het u niet bevalt, aldus het Hof, dan blaft u maar terug. Want ’speech valt alleen maar met more speech te bestrijden.

Het is de Amerikaanse uitwerking van de overtuiging dat geen sterveling een absolute claim heeft op de waarheid. Met als consequentie dat er voor de overheid dus ook geen taak is weggelegd om de ene waarheid te beschermen tegen een andere. De uitingsvrijheid wordt slechts begrensd door de staatsveiligheid, de persoonlijke belediging, of het opruien tot godsdiensthaat. Kort samengevat: defamation (het belasteren) van een religie of overtuiging mag (hoewel niet altijd wenselijk), incitation (opruiing) is een twijfelgeval en verboden als er sprake is van ’helder en duidelijk gevaar’.

Amerikaanse rechters zijn standvastig in hun oordeel. Zij zwichten ook niet als de publieke verontwaardiging groot is. Zo leert de jurispredentie dat een Jehovagetuige publiekelijk een plaat mag draaien met virulente antipaapse beledigingen. Dat een fascistische ex-priester zijn gedeeltelijk joods publiek grof mag bejegenen en Klan-leiders hun ophitsende toespraken mogen houden. Zelfs het verbranden van de Amerikaanse vlag brengt de rechter niet uit het lood.

Als het aan de rest van de wereld ligt, lijkt het met deze uitingsvrijheid eerdaags gedaan. Tenminste, als we onze minister van buitenlandse zaken, Maxime Verhagen, mogen geloven. Samen met de Verenigde Staten en nog een paar landen boycotte hij deze week een topconferentie van de Verenigde Naties in Genève, onder meer omdat die religie boven de uitingsvrijheid en dus ook boven de mensenrechten zou stellen. Deze voor Nederlandse begrippen vergaande stap roept twee vragen op. De eerste is of er inderdaad sprake is van een ’kaping’ van dit wereldplatform door landen die het met de mensenrechten niet zo nauw nemen. En ten tweede, of een boycot daartegen wel het gepaste antwoord is.

Kijken we naar een eerdere uitkomst van de VN-mensenrechtenraad op 27 maart dit jaar, dan slaat de schrik je om het hart. Die raad schaarde zich achter het beginsel dat belasteren van religie of levensovertuiging verboden moet worden. Die verklaring werd niet alleen gesteund door alle moslimlanden (die nog steeds hun gram willen halen over de Deense cartoons), maar ook door China, Rusland, Cuba, Zuid-Afrika en Nicaragua. Landen dus, die er kennelijk alle belang bij hebben het vrije woord ondergeschikt te maken aan de (staats)religie, of de (staats)ideologie. Op de VN-top van deze week dachten zij opnieuw hun slag te slaan. Dit keer met het vrome smoesje dat belasteren van religie discriminerend is.

Ik begrijp daarom wel dat Verhagen het welletjes vond, temeer omdat deze landen er ook op uit zijn IsraĆ«l te veroordelen. Zo kreeg de Iraanse president alle gelegenheid een ’haattoespraak’ af te steken. Blijft echter de vraag of een boycot verstandig was. Zoals de Amerikaanse rechter in dit soort gevallen zegt: in dit soort situaties kan je alleen maar terugblaffen. Bijvoorbeeld door Ahmadinejad erop te wijzen dat hij met een dubbele maat meet. Wel het Zionisme belasteren en de Holocaust ontkennen en tegelijk een verbod op diffamatie eisen.

Het terugblaffen heeft ook geholpen. In de aanloop naar de top hebben de overige landen kans gezien de door de onderdrukkers van het onwelgevallige woord beoogde slottekst aanmerkelijk af te zwakken. Van een verbod op belastering is geen sprake meer. Om dan nog de slotconferentie te boycotten is kras. Het is een belastering van het vrije woord zelf.

mailIcon print |