De Tweede Kamer mag deze week dan iets van haar controlerecht hebben ingeleverd, we hebben er wel een nieuw, althans zeldzaam, werkwoord voor teruggekregen. Het gebeurde in een debat over het besluit van Bos en Balkenende om blijkbaar linke soep van ING op te lepelen aan de belastingbetalers.
De CDA-fractie slikte dit met merkbare tegenzin. Zoveel risico’s ontwaarde de heer De Nerée tot Babberich dat bij de heer Tang (PvdA) het vermoeden van kinnesinne rees. Kinnesinne, omdat staatsbankier Bos politicus van 2008 was geworden, en niet premier Balkenende. Daar de heer Tang niemand met name had genoemd, wilde mevrouw Koser Kaya (D66) wel eens weten wie er volgens hem nu precies – daar komt het – ‘kinnesint’. Voor de heer De Nerée was dat wel duidelijk; hij ontkende met klem ‘dat wij aan het kinnesinnen zijn’.
Mevrouw Verbeet, Kamervoorzitter, had het werkwoord nog nooit gehoord, maar splinternieuw is het niet. Op internet is het eerder gebruikt, evenals het nog wat zeldzamer kinnesinnig (‘jaloers’).
Het zelfstandig naamwoord kinnesinne – afgeleid van het Hebreeuwse kin’a sin’a, ‘afgunst en haat’ – is nog niet zo gek lang geleden, via het Jiddisch en het Bargoens, in de standaardtaal beland. Volgens het onvolprezen 'Groot Leenwoordenboek' van Nicoline van der Sijs gebeurde dat in de jaren zestig, toen ‘het taalgebruik vrijer en informeler werd’. In kleinere, vooral Joodse kring circuleerde kinnesinne al langer. Het oudste citaat – ‘op hun ponem zie je kinnesinne’ – is aangetroffen in een boek uit 1906, ‘Ghijn en onghijn’.
Amsterdam kende in de jaren dertig kinnesinne-ijs. Het werd, volgens Roland van Tulders fotoboek ‘Kinnesinne-ijs & Berliner Bol’, op het Amstelveld verkocht door een ijscoman van Portugees-Joodse herkomst. Hij trok veel publiek door zijn waren aan te prijzen op stelten, wat de afgunst van andere marktkooplieden wekte. Daarom doopte Issie Montezinos zijn versnaperingen ‘kinnesinne-ijs in Portugeese kleuren’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.