Het is een witte klas. Romeo is de enige Surinamer. Maar er is niets hips, niets ’getto’ aan Romeo. Zijn broek zit gewoon, niet onder zijn kont. Hij is groot en lijkt volgroeid, maar het veelvuldig douchen moet bij hem nog beginnen. Geeft niet, hij blijft gerespecteerd.
Romeo werkt. Altijd. Onder alle omstandigheden. Leren kost Romeo grote moeite, maar concentreren niet. Als ik bezig ben met een donderpreek tegen de ruggen van een stel roddelpubers, kan het gebeuren dat Romeo zijn vinger opsteekt en zachtjes vraagt, alsof hij en ik alleen in het lokaal zijn: „Kunt u me even helpen? Dat lijdend voorwerp snap ik nog niet helemaal.”
Romeo is met een praktijkschooladvies gekomen. De basisschool dacht dat hij geen enkel diploma zou kunnen halen. Dat is te begrijpen. Zelden geeft Romeo je het gevoel dat uitleg tot hem doordringt. Hij zegt met een onzeker lachje „oh ja” , en dan moet hij weer eindeloos oefenen. Het is alsof hij zich alles als kunstje moet eigen maken, niet als iets dat met logica klein te krijgen is. Hij moet zichzelf met honderden oefenzinnetjes leren het lijdend voorwerp als het ware te ruiken, want redenerend komt hij er niet.
Des te indrukwekkender om Romeo te zien werken. Hij is zijn eigen school van Prem, zonder de leuke beloningen. Traag maar gestaag is Romeo op pure, stille, eigen kracht opgeklommen tot de vmbo-kaderberoepsgerichte examenklas, bij ons het hoogste niveau.
Romeo weet dat de toestand penibel is. Als bij een bepaalde toets ook duizend keer oefenen niet heeft geholpen, kan hij kwaad worden en uitbarsten, als een zwaar getergde olifant. Maar dan draait hij snel bij en gaat weer aan het werk. Zijn relatie met docenten draait om het resultaat. Wie hem helpt betere cijfers te halen, mag hij. Wie daar geen tijd voor maakt, mag hij niet.
Vorige week kregen ze in de klas hun rapport. Dat van Romeo was beter dan het vorige. De klas begon te klappen en te stampen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.