Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een wekelijkse polemische column.
Van verkiezingskoorts is nauwelijks sprake, terwijl het nog maar drie weken gaans is voordat Nederland mag stemmen voor het Europese Parlement. Toegegeven, het parlement is wellicht het minst tot de verbeelding sprekende onderdeel van de Unie.
Relatief machteloos is het nog altijd, maar dan wel dankzij de afwijzing van de Europese verdragsherziening van een paar jaar geleden, die het nu juist grotere bevoegdheden wilde verlenen. Het verwijt dat het democratisch gehalte van Europa beneden de maat zou zijn, klinkt na zo’n actie nogal onwaarachtig.
Waar het ten aanzien van de Europese Unie vooral aan schort is fierheid. Op de nationale parlementen en regeringsdemocratie zijn de Europeanen vaak onversneden trots. Soms tot in het absurde toe, zoals de Engelsen, wier volksvertegenwoordiging met hun erfelijk benoemde Lords nog altijd níet helemaal gedemocratiseerd is, maar vanwaaruit intussen wel de grootste bezwaren opklinken tegen het Europese ‘democratische tekort’.
Ik ga hier niet de wijsheid verdedigen van alles wat ‘Europa’ doet. De Europese commissie heeft de afgelopen jaren een verwoed economisch liberaliseringsbeleid gevoerd, dat in tal van lidstaten al weer op zijn retour is. Toen voorzitter Barroso zijn ploeg van commissarissen presenteerde was die politieke voorkeur al duidelijk zichtbaar, maar hij werd gecamoufleerd door een met veel misbaar gepresenteerde beleid van evenveel-vrouwen-als-mannen dat voor progressief moest doorgaan. Zoals zo vaak vormde het de schaamlap van een neo-liberale doctrine – en verhulde het tegelijk hoe diep de aarts-opportunist Barroso zich nog maar kort daarvoor gecompromitteerd had aan de oorlog in Irak.
Geen juichkreten dus over de liberaliseringspolitiek van de Europese Commissie, uitgedragen door een commissaris die niet uit de Nederlandse kranten is weg te slaan, alsof zij die hoogstpersoonlijk bevochten heeft. Geen beter voorbeeld van Nederlands chauvinisme dan de populariteit van Neelie Kroes.
Geen beter voorbeeld ook van de oneigenlijke beweegredenen waarmee de Europese Unie met kreten van hoon of triomf wordt overladen. Want meer dan al dit gesteggel zou de Unie de Europese burger met trots moeten vervullen omwille van haar bestaan zelf. Het is in de geschiedenis nog nooit voorgekomen dat landen zich zonder één schot te lossen (of vroeger zonder huwelijkspolitiek – wat vaak niet zoveel verschilde) aaneenvoegden tot een groter geheel. Nog nooit in de moderne tijd is een statenbond zo succesvol geweest, met uitzondering van de VS, die daar wèl een burgeroorlog voor nodig hadden.
Tegenover dit wereldwonder valt al gesteggel waarmee de Europese landen hun Europese politiek voeren in het niet als pijnlijk gemiezer. In Nederland richt de CDA-lijsttrekker zijn pijlen op de kosten van het Europese ambtenarenapparaat, dat nog geen drie procent van het Europese budget uitmaakt (bij nationale staten is dat al snel het viervoudige).
Hetzelfde Ierland dat, brooddronken van plotselinge rijkdom, de verdragsherziening afwees komt terug met de staart tussen de benen. De IJslanders zouden om dezelfde reden inmiddels het liefst gisteren al zijn toegetreden. Staten uit het voormalige Oostblok traineren en boycotten het Europa waar ze nog maar net lid geworden zijn – maar wèl na rijkelijk uit de subsidiepotten te hebben gesnoept.
Ik geef toe: je zóu ze En inderdaad: het voelde goed voorlopig géén Ierse boter meer te kopen, zoals ik in stilzwijgend protest na het referendum gedaan heb. Ook dát ontstijgt nauwelijks de miezerigheid - maar het gemoed wil ook wat.
Liever praat ik het wat fierheid in. Op de overwinning van de kleingeestigheid die het Europese project is – en op de wereldhistorische betekenis van deze ruime blik. Op de geest van verlichting, die de nationale rancunes ongetwijfeld overleven zal. En op het voorrecht te mogen leven in een tijd waarin alle Menschen vreedzaam Brüder werden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.