*

 

Iedereen at van Wedgwood

Wouter Bax − 10/01/09, 00:00

Het serviesgoed van Wedgwood was 250 jaar lang toonaangevend in de wereld van aardewerk en porselein. Nu dreigt het bedrijf failliet te gaan en roemloos in handen te vallen van een investeringsmaatschappij. Ging Wedgwood te weinig met zijn tijd mee? Onzin, zeggen deskundigen, het merk was juist een koploper.

Het dreigende faillissement van de Britse aardewerk- en porseleinfabrikant Wedgwood moet in Nederland hard aankomen, want nergens op de wereld vond het wereldberoemde merk trouwere klanten.

„Het stemt mij droef”, zegt Paul Lamp. „Zo’n mooi bedrijf, met zo’n mooie geschiedenis”. Lamp is telg van een familie die in 1909 als een van de eerste het importeurschap van de Engelse porselein- en aardewerkfabriek verwierf. Zijn grootouders mochten het servies exclusief verkopen in Haarlem en de regio Zuid-Kennemerland. Onderbroken door de Tweede Wereldoorlog – toen importeren vanuit Engeland uiteraard onmogelijk was – deed de familie Lamp er goede zaken mee.

Wedgwood had al eerder diepe indruk gemaakt in Nederland. Het sloeg hier zelfs zo goed aan, dat het – samen met zijn imitaties door andere Engelse fabrikanten – in de achttiende eeuw de Delftse aardewerkindustrie versloeg. „Nederlanders zijn altijd de trouwste afnemers gebleven, maar dan wel vooral met de traditionele neoclassicistische gebruiksvoorwerpen die Wedgwood voor de middle class maakte: de borden en de kommen”, zegt Lamp. „Dus niet zozeer van de siervoorwerpen, want Nederland heeft nooit een echte upper class gehad, zoals Groot-Brittannië. We zijn een land van burgers, niet waar?”

Nochtans domineerde Wedgwood de bruidslijsten van iedereen die het zich kon veroorloven bijna honderd jaar. Lamp zag het merk groeien en bloeien. De veelgehoorde bewering dat Wedgwood failliet gaat omdat het niet met zijn tijd is meegegaan, noemt hij een misvatting. „Wedgwood heeft juist altijd gedurfde ontwerpen gemaakt”, zegt hij. „In de achttiende eeuw was Wedgwood de eerste die echt modieuze borden maakte.” In de afgelopen jaren deed het merk een beroep op moderne designers als de modeontwerpster Vera Wang, het Britse stijlicoon Jasper Conran en de meer ouderwets deugdelijke huisvrouw Barbara Barry. Maar in Nederland is het altijd slechts een kleine groep geweest die zich daardoor aangetrokken voelde. Daar komt bij dat Wedgwood zich nooit heeft laten verleiden tot het maken van producten die niets met servies te maken hebben, maar wel extra geld in het laatje brachten. Voorbeelden daarvan zijn de keramieken prullenbakken en briefopeners waarmee de Duitse concurrent Nymphenburg de markt bestormde, of de kroonluchters waarmee de Zwitserse kristalmagnaat Swarovski zijn assortiment aanvulde.

Waterford Wedgwood, zoals het bedrijf voluit heet, hield het vooral bij servies en deed dat bijna 250 jaar lang met groot succes. Didi Whitlau, directeur van het Amsterdamse vijfsterrenhotel De l’Europe, kan zich niet voorstellen dat oubolligheid Wedgwood de das om heeft gedaan. „Wij zijn er heel gelukkig mee”, zegt ze over het servies dat het hotel al tijden gebruikt in zijn brasserie en in het luxe restaurant Excelsior. Zij heeft zelf gezien hoe de stijl van Wedgwood in de loop der jaren evolueerde. „Er waren jaren van lijntjes, patronen en onderborden”, zegt ze. „Dat komt vast wel weer eens terug, maar de lijn die we nu gebruiken is relatief strak.”

Hotel De l’Europe is niet zomaar een Wedgwood-gebruiker. In 1995 kreeg het restaurant Excelsior de Wedgwood Fine Dining Award, als beloning voor de topkeuken in het zo elegante, mede door Wedgwood vormgegeven restaurant. De flamboyante en aimabele Lord Wedgwood kwam de prijs persoonlijk uitreiken. „Het was echt een leuk evenement”, zegt Whitlau. De lord was een rechtstreekse afstammeling van Josiah Wedgwood, die de onderneming in 1759 startte en zich door zijn inventiviteit en ondernemingslust ontpopte tot, wat de Britten nog altijd noemen, ’de vader van alle Engelse aardewerkmakers’.

Hotel De l'Europe is nu al bezig aan zijn derde Wedgwood-servies. Dat betekent dat het Britse merk de toets der kritiek al drie keer heeft doorstaan, want het hotel gaat bij het kiezen van een nieuw servies niet over één nacht ijs.

„We kijken heel goed, denken na over wat we precies willen en gaan dan shoppen”, zegt Whitlau. „Dat is een langdurige oefening. Soms zie je bijvoorbeeld een prachtig servies en dan zitten er geen soepkommen bij. Dan moeten we verder zoeken. Maar Wedgwood is altijd zeer hulpvaardig geweest, ze denken er met je mee.”

Het hotelporselein van Wedgwood is door zijn speciale samenstelling sterker dan ’gewoon’ serviesgoed, maar dan nog moet het hotel geducht rekening houden met breuk en slijtage door de intensieve routine van opwarmen, opmaken, serveren, afruimen, afwassen en opnieuw gebruiken.

„Is er een splintertje van een bord af, dan moet het gelijk weg, en er valt ook veel kapot”, zegt Whitlau. „Wij hebben dan ook nog het nadeel dat onze restaurants op de begane grond zijn, en de afwaskeuken – met van die keiharde tegeltjes – in het souterrain. En het vorige serviesgoed hebben we mede moeten vervangen omdat de gouden randjes het op den duur niet hielden bij het machinaal afwassen. Want het moet ook gewoon praktisch zijn. We zijn net te groot om dingen met de hand te gaan afwassen.”

Hotel De l’Europe kan maximaal driehonderd couverts op een dag aan, dus zoveel serviesgoed moet in elk geval voorhanden zijn. „We hebben borden in vier maten en van elke soort heb je er dan toch wel vijfhonderd nodig.”

Daar komt bij dat een bord in een toprestaurant moet ’kloppen’ met het gerecht dat erop ligt. „We hebben nu net het wildseizoen gehad”, zegt Whitlau. „Haas, reerug, daar passen grote borden bij. Als gast moet je voldoende ruimte hebben op je bord, anders wordt het ongemakkelijk.” Momenteel, tijdens de jaarlijkse sluiting van restaurant Excelsior, buigen chef-kok Jean Jacques Manteneau, maître Erik Smit en hun keukenbrigade zich over de nieuwe menukaart. „De gerechten staan centraal, natuurlijk, maar we kijken ook heel goed hoe het eruit ziet. We zullen eenzelfde gerecht altijd op hetzelfde soort bord presenteren, maar tegelijkertijd willen we kunnen variëren, bijvoorbeeld als de chef op de markt hele mooie ingrediënten tegenkomt. Daarom gebruiken we een basisservies, met daaromheen lossere componenten. Soms kopen we bijvoorbeeld dertig speciale borden voor een specifiek gerecht.”

Whitlau neemt waar dat het tegenwoordig ook in gewone huishoudens niet meer zo ’in’ is om alles van één soort servies te hebben, maar ze heeft goede hoop dat dat weer terug komt.

„De tijd dat men soep uit een pan in een chique terrine goot en die netjes op tafel zette, komt niet terug, lijkt me. Maar ook thuis zie je dat mensen steeds meer plate service doen, dus niet met de pannen op tafel, maar met het eten op borden die in de keuken worden opgemaakt. Het mag er dus weer leuk uitzien.”

Maar stel nu dat Wedgwood echt verdwijnt, heeft hotel De l’Europe dan een groot probleem? „Niet direct”, zegt Whitlau. „We hoeven dan niet onmiddellijk een ander servies te nemen. Maar uiteindelijk zullen we natuurlijk wel moeten wisselen. Dat is duur en kost veel werk, en het oude servies zullen we moeten opmaken of verkopen. Maar ik hoop van harte dat Wedgwood blijft bestaan. Eigenlijk vind ik het onvoorstelbaar dat zo’n merk het niet zou kunnen redden. Ook op de particuliere markt, want laten we eerlijk zijn: een compleet servies met alles erop en eraan is toch prachtig.”

mailIcon print |