Latijns-Amerika klaagt over acht jaar verwaarlozing door de Verenigde Staten. In de strijd tegen het terrorisme, had George W. Bush even geen tijd voor zijn achtertuin. Eigenlijk moet de regio de vertrekkende president dankbaar zijn voor zijn desinteresse.
’De Verenigde Staten lijken door de Voorzienigheid te zijn voorbestemd om Amerika te plagen met misère in naam van de vrijheid”, zei Simón Bolívar. Begin negentiende eeuw pakte Bolívar de wapens op om de Spaanse kolonisten Latijns-Amerika uit te jagen. Hij ergerde wezenloos zich aan de claim die Noord-Amerika op de bevrijde gebieden legde. Nu Europa verjaagd was, wilden de VS de lakens uitdelen, een idee dat bekend werd als de Monroe-doctrine.
Gedurende bijna twee eeuwen onafhankelijkheid onderhoudt Latijns-Amerika een ingewikkelde haat-liefderelatie met de Noord-Amerikanen. Iedereen wil met ze bevriend zijn vanwege de handel en de politieke voordelen die de vriendschap met een grootmacht oplevert. Daartegenover staan sterke nationalistische gevoelens en weerzin tegen de voortdurende neiging van de Amerikanen om de baas te spelen.
In de twintigste eeuw vertaalde die neiging zich in een reeks nogal ongegeneerde bemoeienissen. Washington wilde loyale regeringen aan de macht en de communisten weghouden, met diplomatieke druk of desnoods met steun aan een staatsgreep en de daarop volgende dictatuur, een huurlingenleger of een invasie. Waardevolle experimenten zoals het Chili van Allende of het sandinisme in Nicaragua mislukten voortijdig door Amerikaans ingrijpen, steevast in naam van de vrijheid.
Met het einde van de Koude Oorlog verschoven in Washington de prioriteiten. De strijd tegen het communisme maakte plaats voor de strijd tegen drugs. Militairen werden ingezet om cocaplanten, de grondstof voor cocaïne, te bespuiten of uit de grond te rukken. Tien jaar later veranderde agenda opnieuw. Na de aanslagen van 11 september richtte de VS zich op de strijd tegen het terrorisme vooral in Irak en Afghanistan.
Latijns-Amerika merkte dat meteen. In het internationale terrorisme spelen ze geen rol van betekenis, dus de latino’s verdwenen van de politieke agenda in Washington. „Amerika vergat zijn achtertuin, eerst omdat de Sovjet Unie uit elkaar viel en vervolgens omdat Al-Kaida geen kampementen in de Amazone opsloeg”, schreef de Spaanse krant El Pais begin 2006. Amerika sloot zich ook letterlijk af van Latijns-Amerika met de bouw van een duizend kilometer lange ‘Muur van de Schande’ langs de zuidgrens met Mexico.
Bush negeerde de ontwikkelingen in Latijns-Amerika. Boeren, arbeiders, studenten, wijkcomités, indianen en andere volksorganisaties organiseerden zich tegen het neoliberalisme, de globalisering, privatiseringen, open grenzen én het Amerikaanse imperialisme. De zogenaamde Washington-consensus, het vanuit de Verenigde Staten gepropageerde idee dat de vrije markt alles wel zou regelen, verloor draagvlak. In Latijns-Amerika hadden alleen rijke ondernemers en corrupte politici de vruchten van vrijhandel geplukt.
De ontwikkelingen in noord en zuid vonden tegelijkertijd plaats. In oktober 2002, precies de maand dat Bush van het Congres het mandaat kreeg om Irak binnen te vallen, won in het grootste land van Latijns-Amerika een socialistische vakbondsleider de verkiezingen. Ignacio Lula da Silva was de grote held van links en alternatief Latijns-Amerika. Jarenlang hadden vakbonden, landlozen en volksorganisaties op straat geprotesteerd tegen de macht. Met Lula in Brazilië hadden ze het zelf. Zes maanden later won links in buurland Argentinië en een jaar later in Uruguay. Met Chili en Venezuela erbij werd 70 procent van de Zuid-Amerikaanse bevolking bestuurd door een (centrum-)linkse regering.
Het ‘ergste’ moest nog komen. Terwijl de Amerikanen scheepsladingen troepen naar Irak stuurden, maakte de populistische Venezolaanse president Hugo Chávez zich onsterfelijk door Bush op de algemene vergadering van de Verenigde Naties uit te maken voor ‘de duivel’. Hij kon zich dat permitteren, omdat hij in Latijns-Amerika was uitgegroeid tot een held die miljarden oliedollars spendeerde aan regionale ontwikkelingsprojecten. Mister Danger, zoals Chávez Bush graag noemt, had de ontwikkelingshulp aan Latijns-Amerika juist met eenderde verminderd, mede om de oorlog tegen terreur te betalen. Washington moest toezien hoe Chávez de geopolitiek in de Amerika’s op zijn kop zette door zelfs in New York en Boston de armen te voorzien van goedkope brandstof.
Een van de eersten die wakker werd, was CIA-directeur Porter Gross. „Destabilisatie of achteruitgang van de democratische principes,” waarschuwde hij in 2005, „zou niet gunstig zijn voor onze belangen en op lange termijn waarschijnlijk bedreigend voor onze veiligheid.” Het was Gross niet ontgaan dat in tien Latijns-Amerikaanse landen verkiezingen voor de deur stonden en hij pleitte voor meer aandacht.
Maar het was te laat. Het ene na het andere land koos voor een zich links noemende leider, vaak socialistisch en soms uitgesproken anti-Amerikaans. Begin 2007 hadden van de grote landen alleen Mexico en Colombia nog geen linkse en vaak met Chávez bevriende regering. Geschokt moest het Amerikaanse state department vaststellen dat Bush zich het initiatief in de regio had laten afpakken door een socialistische caudillo, die goede banden had met Fidel Castro, Mahmoud Ahmadinejad en andere leiders van wat de Amerikanen zagen als de As van het Kwaad.
„De wereld is een nieuw tijdperk ingetreden, een nieuw millennium dat niet behoort aan het imperialisme maar aan de Latijns-Amerikaanse volken”, zei de Boliviaanse leider Evo Morales toen hij eind 2005 tot president werd gekozen. Nog maar een paar jaar daarvoor had de Amerikaanse ambassade de Bolivianen gewaarschuwd voor ‘een narcostaat’ als de linkse boerenleider zou winnen. Nu voegde deze zich bij het groeiende clubje leiders die in het vacuüm sprongen dat de Amerikaanse desinteresse had gecreëerd en die de regio wilden bevrijden van het laatste restje Amerikaanse invloed.
Die invloed is nog altijd sterk, zeker economisch. De 400 miljard dollar per jaar aan handel maakt veel landen afhankelijk van het noorden. Maar er is iets veranderd. De regionale identiteit is sterker dan ooit, net als de afkeer van Washington. „Handel helpt om vrijheid te verspreiden”, herhaalde Bush. De nazaten van Bolívar spitsten hun oren. Waar hadden ze dat eerder gehoord? Toen Bush het halfrond wilde meenemen in een oude Amerikaanse droom van een vrijhandelsverdrag voor de Amerika’s, van Alaska tot Vuurland, werd hij weggehoond. Tien jaar voorbereiding voor de FTAA liep eind 2005 op de rotsen.
In dat jaar leed Washington ook een nederlaag, met de keus voor een Chileense socialist als secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Traditioneel schaarde de regio zich braaf achter een Amerikaanse kandidaat, maar dit keer niet. Voor het eerst legde Latijns-Amerika de voorkeur van de Noord-Amerikanen naast zich neer.
Een nieuwe regionale organisatie, de Unie van alle Zuid-Amerikaanse landen, wint aan invloed. Enkele maanden geleden onderzocht en veroordeelde deze Unasur een slachtpartij in Bolivia en sprak steun uit voor president Morales. De OAS – en dus de Verenigde Staten – stonden buitenspel.
Latijns-Amerika heeft zich politiek van het noorden losgemaakt. Dat is de verdienste van een zich emanciperend Latijns-Amerikaans electoraat, dat zijn eigen weg durft te gaan. Maar het is ongewild ook te danken aan de Amerikanen die het, voor het eerst in de geschiedenis, acht jaar lang maar hebben laten gebeuren. Daar kan Latijns-Amerika de vertrekkende Bush heel dankbaar voor zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.