den haag – Aanklagers van het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag hebben de voormalige Congolese vicepresident Jean-Pierre Bemba er gisteren van beschuldigd systematische verkrachting te hebben gebruikt om burgers in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) te terroriseren. Bemba verdacht die burgers ervan rebellen te steunen in een bloedige machtsstrijd in dit buurland van Congo.
Het ICC begon gisteren aan een vier dagen durende zitting waarop moet worden bepaald of er voldoende gronden zijn om Bemba te vervolgen. Bemba, oprichter van de Beweging voor de Bevrijding van Congo, wordt beschuldigd van acht gevallen van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, waaronder marteling en moord, tijdens het conflict in de CAR, dat duurde van oktober 2002 tot maart 2003.
De toenmalige president Ange-Félix Patassé had hem gevraagd te helpen een staatsgreep neer te slaan geleid door de voormalige legerleider François Bozizé. Dat mislukte. In 2004 verzocht Bozizé, nu president, het Strafhof om een onderzoek in te stellen naar Bemba’s militie.
Aanklager Fatou Bensouda zei dat het aantal verkrachtingen tijdens het conflict hoger lag dan het aantal moorden en dat de aanklagers seksueel geweld als oorlogswapen centraal zullen stellen in de zaak.
De afgezette president Pattassé wordt steeds genoemd als mededader, maar is niet aangeklaagd. Hij woont in ballingschap in Togo.
De verdediging kwam gisteren ook aan het woord. Zij betoogde dat Bemba’s troepen, zodra ze de grens waren overgestoken, formeel niet meer onder zijn commando stonden. Ook stelde de verdediging dat de aanklagers niet hebben aangetoond dat Bemba zijn mannen had opgedragen wreedheden te begaan.
Na afloop van de nu begonnen zitting hebben de drie rechters van het Strafhof zestig dagen de tijd om te beslissen of er voldoende bewijs is om een proces tegen Bemba te beginnen of dat hij moet worden vrijgelaten. Bemba werd in mei vorig jaar opgepakt in België en in juli naar Den Haag overgebracht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.