De eerste tien minuten is het lijden, het rechterbeen wil nog niet mee. En vraag je je af waarom je weer zonodig moet. Maar allengs gaat het beter, krijg je de slag te pakken, letterlijk, en ga je licht wiegend over het ijs, handen op de rug. En weet je weer heel goed waarom je zonodig moet. Het is in de middag en de lucht is strak bleek-blauw, de zon schijnt, het vriest licht en er staat vrijwel geen wind. Het is stil. We zijn in een van onze mooiste schaatsparadijzen, de Wieden, in de Kop van Overijssel. Een schitterende woestenij van rietlanden, vaarten, sloten, grachten en open ijsvlaktes. Het ijs is overwegend goed, maar kraakt zo nu en dan onheilspellend. Volgens kenners van weer, wind en ijs zijn we te vroeg voor het open water, maar aan de ’sporen’ te zien zijn honderden ons al voorgegaan. De ’baan’ gaat meestal dicht langs de rietkragen, maar zwiert soms in grote bochten de vlakten over. Iemand moet hier toch als eerste geschaatst hebben en dit spoor hebben uitgezet. Een waaghals, zullen de kenners zeggen. De eerste ben ik al lang niet meer. Jaren geleden al heb ik de lezeres moeten beloven niet daar te schaatsen waar nog niemand geweest is. Ooit was ik de eerste op een meertje in een ander schaatsparadijs, het Noordhollandse Waterland. Schaatsend over maagdelijk ijs, alleen, in alle stilte, klonk er plotseling een knal als van een kanonschot en schoot er een scheur in het ijs, over honderden meters, van de ene oever naar de andere, en daverden de echo’s over meer en weilanden. Zelden zo geschrokken, maar ook zelden zo genoten. En ook nu, met een ijsvlakte zo ver je kunt kijken, de zon in je gezicht, en een grote troep ganzen in een vrijwel perfecte V hoog in de lucht, ervaar je iets dat je misschien wel geluk mag noemen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.