Een rechter in Senegal veroordeelde deze week een groep homoseksuele mannen tot acht jaar cel. De veroordeling is volgens homo’s teken van een toenemende repressie. „Wij zijn vogelvrij.”
Mamadou stopt zijn vingers in zijn oren. De fruitverkoper in Dakar wil niet horen hoe twee mannelijke klanten hun onderlinge relatie met een huwelijk vergelijken. Mamadou beseft dat het een grap is, maar kan er niet om lachen. „Over die dingen moet je niet praten”, vindt hij.
Het is de milde vorm van een in West-Afrika wijdverspreide homofobie. Met de agressieve variant kreeg Djamil Bamba te maken. In december werd zijn huis overvallen omdat hij een demonstratie wilde organiseren van homo’s tegen aids. Een vriend belandde zelfs met messteken in het ziekenhuis.
Sindsdien zit Bamba ondergedoken. De negen mannen die deze week tot celstraffen zijn veroordeeld zijn bekenden van hem. Ze gaan in hoger beroep, maar voorlopig staat een vonnis wegens sodomie en het aanzetten daartoe.
Ze hadden namelijk een groep opgericht van homo’s tegen aids, iets dat de rechter hen zwaar aanrekende. De veroordeling heeft een schok teweeggebracht in de homogemeenschap in Senegal, dat als relatief liberaal en democratisch bekendstaat. Een aantal is het land al ontvlucht.
Een paar jaar geleden had Bamba gelachen bij het idee dat celstraf voor sodomie een reĆ«el gevaar was. Arrestaties waren er zelden en homo’s konden gewoon de straat op of feesten organiseren. Ze moesten zich niet te veel in de kijker spelen, maar er was een zekere mate van tolerantie, zegt hij.
„We zijn nu vogelvrij”, zegt hij. „Sociaal werden we nooit geaccepteerd, maar nu worden we ook actief vervolgd.”
Volgens Bamba is het nieuwe fanatisme waarmee homoseksualiteit wordt aangepakt paradoxaal genoeg een gevolg van de internationale aandacht voor de rechten van homo’s. „Het leidt er toe dat de politie nu niets meer tolereert.”
Die trend ziet ook Aboubacry Mbodj, vicepresident van de mensenrechtenbeweging Raddho. „De Senegalese samenleving is niet klaar voor het bespreken van homoseksualiteit”, zegt hij onomwonden. „Door de moderne communicatiemiddelen en de invloed uit het westen, komt het land de laatste jaren steeds meer in aanraking met het fenomeen. Dat geeft een terugslag.”
Religieuze organisaties in de regio spreken zich fel uit tegen iedere acceptatie van homoseksualiteit en bedreigingen zijn voor openlijke homo’s als Bamba dagelijkse kost.
Voor een beweging als Raddho ligt het aankaarten van homo-discriminatie daarom moeilijk. Mbodj roept vooral op tot geduld. „Homo’s hebben dezelfde rechten als ieder ander, maar dat vraagt om een mentaliteitsomslag.”
Een organisatie als Human Rights Watch waarschuwt echter voor te veel passiviteit: „Dat het moeilijk ligt, betekent niet dat je niets moet doen,” zegt Boris Dittrich, oud-fractievoorzitter van D66 en ambassadeur van Human Rights Watch.
Een affaire als deze raakt ook de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Nederland werkt er sinds 2007 aan om homo-discriminatie in zijn partnerlanden op de agenda te zetten.
In partnerland Senegal is het onderwerp ook al eens aangekaart. De Nederlandse ambassade in Dakar overweegt nog of ze iets gaan ondernemen tegen deze straffen.
Voor Djamil Bamba kan dergelijke druk niet te vroeg komen. „Ik voel mij vooral in de steek gelaten. We moeten juist nu druk uitoefenen. Anders ben ik straks de volgende.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.