Het nieuws van vandaag heeft voorgangers in de geschiedenis. Ook tijdens de Atjeh-oorlog hield de regering kritische ambtelijke adviezen liever geheim.
Moesten we die oorlog in Irak wel steunen? Afgelopen week dook een kritisch ambtelijk advies op dat geheim was gehouden, tot woede van de Tweede Kamer.
En dan die andere oorlog: Afghanistan. Moeten we daar wel mee doorgaan? Militairen die daarover wilden mee discussiĆ«ren tijdens een debat in Amsterdam, kregen vorige week een e-mail vanuit het ministerie van defensie waarin hun dat verboden werd, vanwege de ’politieke gevoeligheid’. Later verklaarde Defensie overigens dat er sprake was van een misverstand, en een ’overijverige ambtenaar’.
Hoe het ook zij, een goede honderd jaar geleden hadden militairen niet zoveel last van politieke gevoeligheden. In 1893 voerde Nederland al twintig jaar onsuccesvol oorlog in Atjeh en kon een majoor het gehannes niet meer aanzien. Zijn naam was Van Heutsz, en in plaats van dat hij zijn grieven subtiel bij zijn superieuren onder de aandacht bracht, publiceerde hij ze in de vorm van een pamflet: ’De onderwerping van Atjeh’.
Het was een aanklacht tegen zwalkende politici, die elk jaar weer een nieuw Atjehbeleid bedachten. Van Heutsz pleitte voor een meedogenloze aanpak van de Atjehse vrijheidsstrijders. Daartoe moest er in Atjeh allereerst een nieuwe gouverneur benoemd worden: iemand ’van karakter en groote individualiteit, tevens begaafd met een helder verstand, een juiste blik en snelheid van beraad’. Van Heutsz zelf, dus.
Werd de militair berispt om deze ongeoorloofde inmenging in de politieke besluitvorming? Nee, sterker nog: uiteindelijk kreeg hij de baan waar hij op zo weinig subtiele wijze naar solliciteerde.
Dat lukte hem doordat hij een pact sloot met Christiaan Snouck Hurgronje, die een jaar eerder een kritisch ambtelijk advies over Atjeh had uitgebracht, dat pas in 1957 gepubliceerd werd. Snouck Hurgronje was geen militair, maar een briljant islamwetenschapper. Hij sprak een stuk of vijftien talen en was er, onder zijn islamitische pseudoniem Abd al-Ghaffar, als een van de weinige westerlingen in geslaagd om Mekka te bezoeken.
In Atjeh deed hij veldonderzoek in dienst van het koloniale bestuur. In zijn ambtelijke adviezen licht hij als een soort organisatieadviseur avant la lettre het bestuur door en laat er geen spaander van heel: het ambtelijk apparaat hield geen archieven bij, vertrouwde op precies de verkeerde bondgenoten en snapte kortom helemaal niets van Atjeh. Als een lokale krijgsheer aan de Nederlanders een uitnodiging stuurt om zich onverwijld tot de islam te bekeren, dan is dat een oorlogsverklaring. Die moet je krachtig negeren of krachtig beantwoorden, legt Snouck Hurgronje uit. Maar wat deed Nederland? ’Van bestuurswege werd hem eindeloos uiteengezet, hoe goed de Mohammedanen het onder de Nederlandsche vlag hebben’.
De grootste fout was nog wel, vond hij, om alle Nederlandse troepen terug te trekken nabij het paleis van de Sultan. Daardoor verkeerde Nederland ’in de positie van den aan de ketting liggenden aap, die door een aantal knapen zonder veel gevaar voor hun welzijn tot dolwordens geplaagd kan worden’.
Het was dus tijd voor ’eene gevoelige les’ voor de Atjehse bendes. Tegelijk adviseerde hij om juist de hearts and minds van de gewone man te winnen.
Daarin vonden Van Heutsz en Snouck Hurgronje elkaar. De militair en de wetenschapper zetten zich vanaf 1898 als gouverneur en adviseur aan de ’pacificatie’ van Atjeh. Hun harde aanpak had succes: in 1903 was de meeste weerstand gebroken.
Met die hearts and minds was het alleen wel grondig mislukt, want er waren heel wat platgebrande kampongs nodig voor dit militaire succes. Snouck Hurgronje brak teleurgesteld met Van Heutsz. En tien jaar nadat de militair Van Heutsz zich in de politiek had gemengd, klaagde de katholieke politicus De Stuers dat door de militairen ’onze trouwe, eerlijke, en eervolle Nederlandse vlag bespat is met het bloed van honderden vrouwen en kinderen’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.