Dagje verpleeghuis. Collega S. had de weekenddienst en op mijn vraag hoe een en ander verliep, was zijn antwoord: „Het was voornamelijk condolerend geneesheer.”
Ik kreeg geen anekdotiek dit keer, want hij had andere problemen. Naar aanleiding van berichten in de wetenschapsbijlage in de krant was hij erg pissig geworden. Het ging over hersenscans die waren gemaakt van echtparen die al twintig jaar bij elkaar waren en die zeiden nog steeds verliefd te zijn. En op die scans lichtten precies die gebieden op die ook oplichten in daadwerkelijk verliefden.
„Nou zijn mijn vrouw en ik nog geen twintig jaar bij elkaar, maar ik vroeg aan haar of ze dacht dat onze scans, als je die zou onderwerpen aan vergelijkbare tests, of die dan niet ook nog steeds in de relevante gebieden zouden oplichten? Het hoeft geen steekvlam te zijn, wij nemen reeds genoegen met een bedeesd gloeien. Of tekenen van veenbrand desnoods, dat je niks ziet aan het oppervlak maar dat het daaronder, afijn je begrijpt wat ik bedoel.”
„En wat zei ze?”
„Ze zei zonder enige bedenktijd ’nee, natuurlijk niet’.”
De beslistheid van het antwoord zat hem dwars. Ze had even moeten twijfelen en alles was goed geweest. Ik probeerde hem te troosten met de contra-expertise dat diezelfde ’verliefde’ gebieden ook oplichten bij mensen die aan migraine lijden zodat die verliefde echtparen elkaar neurofysiologisch gesproken misschien gewoon een barstende koppijn bezorgden. En dat nog steeds, na twintig jaar, „Kejje nagaan wat een hel”.
„Meen je dat nou?”
„Eh nee. Ter plekke verzonnen. Om jou te troosten.”
Ik lieg namelijk niet goed, hetgeen niet helpt in mijn werk, want wij verkopen vaak knollen als parels en daar moet wel een praatje bij.
Wij gingen aan het werk.
Wat knol en parel betreft, ik moest denken aan Antoine Bodar die bij Pauw & Witteman ondervraagd werd over bisschop Williamson, de Holocaust-ontkenner.
Williamson was ooit buiten de kerk geplaatst omdat hij was gewijd door de eveneens gedwongen buitenkerkelijke Lefèbvre. Nu mag bisschop Williamson er weer in. Alleen denkt hij nog steeds dat er ’misschien 200.000 tot 300.000 Joden in concentratiekampen zijn omgekomen, maar geen van hen werd vergast’.
Witteman vroeg aan Bodar of hij nog lid wilde blijven van een club die dergelijke types erbij neemt. Bodar veroordeelde Williamson zonder enige reserve, maar stak toen over van knol naar parel.
De kerk, zo sprak hij, is een iets andere vereniging dan wij hier zo rond de borreltafel in enkele zinnen kunnen uitduiden. Er is een instituut, waarbinnen zich vele zondaars roeren, ik meen Williamson als een zondaar te mogen bestempelen, maar daarboven is er de Kerk, en dat is een begrip van geheel andere orde.
De implicatie is dat wat de kerk uitvreet niks afdoet aan de Kerk. Alle troep die aan de knol zit, laat de zachte glans van de parel onverlet. Alsof een ideaal los staat van de praktijk. Alsof een blunderende neuroloog in Twente, die tijdens het blunderen op onbegrijpelijke wijze wordt gadegeslagen door zijn collega’s, samen met die collega’s geen afbreuk doet aan dokteren. Alsof Geneeskunde daar in onaantastbare zuiverheid boven blijft zweven. Ik dacht het niet. Geneeskunde is niet beter dan artsen. En godsdienst ontstijgt de priester niet. Kom nou. Zelfs Plato (want daar haalt de kerk de Kerk) maakte het niet zo bont. Er bleef altijd een verbinding (al was de aard daarvan onduidelijk) tussen ideaal en omstandigheid. Sorry, dat moest er even uit.
Op de afdeling vertelde zuster Mieke over haar weekend. Ook hier de kerk. Haar grootmoeder stierf een maand of zes geleden en uit haar nalatenschap wordt gedurende een jaar elke maand een H. Mis opgedragen voor haar zielerust.
Mieke’s moeder kon zaterdag niet maar vond het ongepast om de bescheiden viering te doen plaatsvinden zonder dat er familie van de overledene in de kerk zat, zodat Mieke werd afgevaardigd. Zij bevond zich nooit binnen de kerk, zoals Bodar, maar ook niet daarbuiten, als Lefèbvre.
De bijeenkomst ontroerde haar. Wat was er dan zo ontroerend? De hoop die het kleine troepje gelovigen bijeenbracht in het ijskoude tochtige kapelletje. Allemaal oude tot zeer oude mensen rustig toegesproken door de breekbare hoogbejaarde priester. Terwijl ze bij hen was voelde ze bewondering voor de zachte hardnekkigheid waarmee de vlam hier flakkerend werd gehouden. Maar op weg naar huis werd ze overvallen door de vergeefsheid van de hele onderneming. „Ik dacht: moet grootmoeder hiermee, met dit, verder geholpen worden daarginds? Dat is toch te zielig voor woorden?”
Ter afsluiting van de werkdag krijg ik van Harry, één van onze jongere patiënten, zijn versie van het evangelie: „Hij is geboren en aan het kruis genageld, door zijn eigen volk, de Joden, omdat hij de boel verraaien had, nou ja, dat vond Herodes dan hé? Of de Romeinen. Raar volk allemaal hoor, maar sindsdien is er leven na de dood.” Waar hij met een grote grijns aan toevoegt: „Behalve voor homo’s.”
„En Ajaxfans”, hoor ik uit het bed tegenover hem.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.