*

 

'Groeiend besef dat beelden niet afleiden van God'

Pauline Weseman − 22/01/09, 00:00

Het werken met beeldende kunst is voor haar niet de zoveelste poging om jongeren bij de kerk te houden. Leren kijken naar kunst, leert je geloven, vindt theologe Geertje de Vries. Zij promoveerde op de rol van kunst in geloofsonderwijs. „Het is een oefening om meer te zien dan wat voor handen is.”

Het kunstwerk dat Geertje de Vries met anderen uitkoos voor hun kerkzaal is veelzeggend voor het nut van kunst in de kerk. ’Opgaan’ van kunstenares Annemiek Punt kan op veel manieren worden geïnterpreteerd. Het kan een voetganger op een eenzame weg zijn, een ondergaande zon, een rollende golf of een paradijsvogel. En zie daar, al kijkend naar het glaswerk ontspint zich al een gesprek. Over waarom je er juist een vogel in ziet of een zon, opgaand of ondergaand. Nog een stapje verder en het gaat over het leven, geloof en God.

Aandacht voor de verbinding tussen kunst, geloven en leren neemt toe, signaleerde Geertje de Vries. Zij gebruikt zelf al jaren kunst in godsdienstonderwijs of catechese aan jongeren. Het onderzoek ’Leren zien – leren geloven’ waarop ze onlangs promoveerde aan de Protestantse Theologische Universiteit is een eerste inventarisatie van die trend.

Hoe verklaart u de toenemende belangstelling voor kunst in het protestantse geloofsonderwijs?

„Dat je de laatste tien, vijftien jaar meer lesmethoden over kunst, geloof en leren ziet ontstaan, heeft volgens mij te maken met het terugwinnen van kunst voor de protestantse traditie. Het is algemeen bekend dat protestanten het na de Reformatie vooral van het Woord, de Bijbel, moesten hebben. Langzamerhand ontstaat het besef dat beelden je niet van God af hoeven te leiden, maar dat ze je ook naar God toe kunnen leiden. Ik groeide op in de protestantse traditie op de Veluwe. Alleen met Kerst gingen wij naar de rooms-katholieke kerk. Daar stond een kerststal. Die hadden wij niet in onze kerk. Ik weet nog dat die kerststal aansloot bij een verlangen naar concreetheid. Ik wist dat het niet echt was, maar het kan toch als wegwijzer dienen. Dat verlangen heeft met incarnatie te maken, met het Woord dat vlees is geworden, met God die mens werd.’’

Hoe protestants is het omgaan met beeldende kunst nu nog?

„Ik denk dat kunst voor veel protestanten nog steeds ten dienste moet staan van het Woord, de Bijbel. Dat ontdekte ik ook in mijn onderzoek. Als er binnen groepen een existentieel gesprek is ontstaan naar aanleiding van een kunstwerk, hebben catecheten (godsdienstdocenten) toch de neiging om te zeggen: ’Zo, nu moeten we het ook nog over de Bijbel hebben, nu moeten we aan het werk’. Terwijl ze al aan het werk zijn. Overstappen naar bijbelonderwijs kan de goede, open sfeer die net was ontstaan, doodslaan.’’

Waarom zou je beeldende kunst gebruiken voor een geloofsgesprek?

„Ten eerste zijn beelden directer dan woorden. Ze raken meteen de emotionele laag. Beeldende kunst kan letterlijk een eyeopener zijn in je zicht op de werkelijkheid of gebrokenheid. Ik denk aan ’Guernica’ van Picasso, over het bombardement van fascisten onder generaal Franco op het Spaanse stadje Guernica in 1937. Dat beeld grijpt me nog steeds naar de keel en verbind ik direct met de ellende in Afghanistan of Gaza. Tijdens het kijken vormt zich een aanklacht tegen geweld. Dat alleen kan al een gebed zijn, een kyrië (’Heer, ontferm u’). Een andere belangrijke reden is dat je over kunst hoe dan ook in gesprek raakt, want iedereen ziet weer wat anders. Ook durven mensen zich via kunst makkelijker open te stellen, zoals een depressieve vrouw bij het zien van een schilderij van Jozef in de put zei: ’Zo voel ik me’.

„Werken met kunst draagt ook bij aan wat ik noem visuele geletterdheid. De christelijke traditie heeft wel degelijk een beeldtraditie en die zou je anders verwaarlozen.’’

Wat is de link tussen geloven en kijken naar kunst?

„Vaak laat ik een groep een paar minuten naar een kunstwerk kijken zonder er meteen iets over te roepen. Die neiging hebben jongeren nogal door de zapcultuur. Als ze langer kijken, ontdekken ze dingen in een schilderij die ze op het eerste gezicht niet hadden gezien. Kunst kijken is eigenlijk een oefening om meer te zien dan wat voor handen is. Dat is geloven ook. Maar ook: als je langer kijkt, zie je dat er bijvoorbeeld achter een probleemjongere een kind van God, een naaste, zit.’’

Is alle kunst geschikt voor een geloofsgesprek?

„In principe wel, dat hangt af van je eigen enthousiasme, je groep en je doel. Met een beginnersgroep werkt een figuratief schilderij bijvoorbeeld beter, zoals ’De verloren zoon’ van Rembrandt. Voor een gesprek over eenzaamheid of het kruiswoord ’mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’ is ’De Schreeuw’ van Edvard Munch bijvoorbeeld een idee. Terwijl dat officieel geen religieus schilderij is. Belangrijk is dat een kunstwerk genoeg openheid biedt om een gesprek aan te kunnen gaan. Een heel abstract schilderij zoals het ’Olieverf op doek’ van Jacoba van Heemskerk biedt voor mij te weinig aanknopingspunten om bijvoorbeeld te spreken over wijsheid. Daarentegen is ’Doop’ van Eric Wijnands wel heel geschikt. (In dit schilderij, eigendom van Stichting Docete Utrecht, is boven een gele vuurbal een regenboog te zien waarboven een vogel vliegt, – red.) Bij een groep doopouders ontspon zich een gesprek over de vogel. Prachtig, zei iemand die daarin de beschermende God zag. Een ander zag er een roofvogel in, wat hem beangstigde. Dat mondde uit in een gesprek over godsbeelden en over wat voor godsbeeld zij hun kinderen mee zouden willen geven. Ik probeer kunst zoveel mogelijk voor zichzelf te laten spreken.’’

Wat zijn de grootste risico’s bij het werken met kunst?

„Iets willen doen wat niet bij je past. In de nascholingslessen over kunst die ik geef aan predikanten, zie ik dat behoudende dominees het meest terughoudend zijn om met kunst te werken, ingegeven door het verbod om beelden van God te maken, het tweede gebod. Tegen hen zeg ik: Doe geen dingen die niet bij je passen, begin met een kunstwerk dat jezelf fascineert.

„Andere keren blijft een gesprek te veel steken bij het kunstwerk en bij wat een ieder mooi en lelijk vindt. Er komt geen geloofsrespons. Dan zou je kunnen vragen: denk je hierbij aan God?

„Een andere valkuil is dat kunst gebruikt wordt als plaatje bij het praatje. Dan wordt het kunstwerk een buikspreker voor de boodschap van de catecheet en krijgen je toehoorders te weinig ruimte om hun emoties en levensvragen te uiten.’’

Als docenten een boodschap mee willen geven, of in elk geval jongeren bijbelkennis bij willen brengen, zou dat spanningen op kunnen leveren. Blijkt dat uit uw onderzoek?

„Ja, het werken met kunst zoals ik dat beoog, past niet bij een overdrachtsmodel, dus als je een eenduidige kerkleer wilt overbrengen. De pastor moet niet degene zijn die problemen oplost, maar die verheldert. Het vraagt veel flexibiliteit om je kruit zo lang mogelijk droog te houden, niet te snel met antwoorden te komen. Het gaat erom dat je verschillen bespreekbaar houdt. Je hebt nu eenmaal verschillen, dat is een gegeven. Het is voor mensen vaak een opluchting om te zien dat er in de christelijke traditie ook vaak heel verschillend is gedacht. Dat Jezus’ kruisdood bijvoorbeeld in de Middeleeuwen meer het accent kreeg van de overwinning op de dood, terwijl later de identificatie met zijn lijden belangrijker werd.

„Valkuil is wel dat je zegt: ’Jij bent oké, ik ben oké’ en dat je nooit eens wat kunt zeggen. Ik heb gemerkt dat je er in gesprekken heel organisch een bijbeltekst bij kunt pakken. Jongeren willen best iets weten van de Bijbel, maar pas wanneer die tekst iets te zeggen heeft over henzelf en hun wereld. Ik vind dat predikanten veel meer vertrouwen zouden moeten hebben in hun gemeenteleden en jongeren, en beseffen dat zij waardevolle ideeën hebben.’’

Waar zou het anno 2009 om moeten gaan in godsdienstonderwijs?

„Ik pleit voor verruiming van catechese. Het moet niet alleen gaan om kennisoverdracht, ook ieders eigen standpunt moet een plaats krijgen. Ik vind het belangrijker dat jongeren vragen kunnen stellen, dan dat ik met een antwoord kom. Catechese in mijn beste vorm is als ik zie dat jongeren iets nieuws ontdekken in hart en hoofd, dat er bij hen ruimte ontstaat.

Daar leer ik zelf ook weer van. Ik had eens een belijdeniscatechisant in mijn groep die belijdenis wilde doen omdat Jezus voor zijn zonden gestorven was. Op de vraag wat dat betekent voor hem, kon hij moeilijk antwoord geven totdat hij het ’Isenheimer altaar’ van Matthias Grünewald zag. Een gruwelijk schilderij vind ik zelf, waar ik maar kort naar kan kijken.

Hij zei: ’Ik kan hier wel een úúr naar kijken’. Want dat altaar verwoordde precies waarom hij belijdenis wilde doen. Dan zie je iemand opademen. Dat intrigeert mij.’’

mailIcon print |