*

 

'Door de raketten van Hamas zijn we alles kwijtgeraakt'

Jetteke van Wijk − 24/01/09, 00:00

Vanuit de vluchtelingenkampen en in Gaza-stad klinkt niet alleen kritiek op Israël, maar ook op de Hamas-raketten die de aanleiding vormden voor de Gaza-oorlog. „Die schaden ons meer dan dat ze ons baten.”

De weg naar het Jabalja-vluchtelingenkamp even ten noorden van Gaza-stad is gelardeerd met wegrottende, aangevreten koeienlijken. Fabrieken zijn er gereduceerd tot weinig meer dan verwrongen ijzer en betonnen karkassen. Twee enorme zandkraters, inmiddels met regenwater gevuld, herinneren aan de luchtbombardementen in de eerste week van de Gaza-oorlog. Wat tot voor kort een autoweg was, is nu een slalompad vol modder, hobbels en stenen.

Vlak buiten het kamp is de Abed Rabo-wijk veranderd in puinlandschap. Kinderen graven tussen het gruis naar metaal om te verkopen, terwijl een enkele oude man met een schoffel zoekt naar persoonlijke eigendommen op de plek waar drie weken geleden zijn huis nog stond. Ezelwagens vervoeren hele bomen die als brandhout aan de man worden gebracht.

Vanaf een metershoge brokstukkenheuvel kijkt Tahini Chader (31) uit op haar voormalige buurt. „Ik had een woning met drie verdiepingen, negen kamers en een badkamer op elke etage”, zegt de moeder van tien kinderen.

Nu woont ze in een hut van hout en zeil op de ruïnes van haar huis en stookt een vuurtje tegen de winterkou. Om het geheel in elk geval nog een beetje knus te maken, hangt er plastic fruit aan het plafond en liggen er kleedjes op de grond. Een van stukken hout gefabriceerde trap leidt omhoog naar het gat dat de voordeur is.

Moeiteloos wijst ze aan uit welke richting de Israëlische tanks kwamen aangerold toen op de tweede zaterdag van de oorlog het grondoffensief werd ingezet. Scherpschutters stelden zich op, terwijl de milities van Hamas volop aanwezig waren in de buurt. „Soms renden ze rond”, zegt ze, „en soms bevonden ze zich in onze huizen”.

Op de tweede dag van de gevechten rond de wijk vluchtte ze met haar kinderen en andere leden van haar clan naar een familielid in een minder belaagde buurt, om pas bij terugkomst na de oorlog te ontdekken dat ze geen plek meer had om te wonen. „Natuurlijk moeten we ons verzetten”, stelt ze. „Maar niet vanuit onze huizen, waar onze kinderen slapen. Door de raketten die Hamas op Israël afschiet, zijn we alles kwijtgeraakt.”

In Gaza-stad zelf is de schade een stuk overzichtelijker. Het presidentieel gastenpaleis ligt sprankelend wit ineengezegen op het nog altijd frisgroene gazon. Het parlementsgebouw is kundig verwoest en de ministeries zijn kapotgeslagen in precisiebombardementen. Op de plek waar de gevangenis en het hoofdkwartier van de veiligheidsdienst stonden, liggen vele tientallen Palestijnse legertruien tussen de restanten van het verkruimelde gebouw. Een kruiwagen met negen bezems staat optimistisch klaar aan de rand van het hoog opgetaste brokstukkenveld. Het grootste deel van de stad lijkt echter intact.

In het ietwat zuidelijker gelegen Sjati-vluchtelingenkamp is het huis van de Gazaanse Hamas-premier Ismail Hania, bewaakt door twee bebaarde wachters en een slagboom, onaangeroerd. In het steegje ernaast is wel de woning van een bekende strijder volledig verwoest, wijst een buurtbewoner, die zegt geen idee te hebben waarom het woonhuis van de leider – vrijwel gelegen aan de zee en binnen schotafstand van de tijdens de oorlog voor de kust aangemeerde Israëlische marine – gespaard is. „Het zal wel te maken hebben met politiek”, mompelt hij.

Een groepje mannen op de stoep nabij de woning van Hania weigert zich uit te laten over Hamas. „Dat brengt ons maar in de problemen”, zegt Raed Hassien (26). Toch heeft hij een uitgesproken mening over de raketten die de aanleiding waren voor de Israëlische aanvallen. „Die schaden ons meer dan dat ze ons baten.”

Moenir Soeltan (49), een andere bijna-buurman van de Hamas-premier, ontvluchtte na enkele dagen het Sjati-kamp om zijn zeven kinderen in veiligheid te brengen, al is een groot aantal van hen nog steeds geplaagd door nachtmerries en bedplassen. „Ja”, geeft de ingenieur toe. „Ik was verbaasd dat Israël dit keer zo hard terugsloeg. Hetgeen ons alleen maar leert dat je, als je zwak staat, niet te veel moet provoceren.”

Hij is bepaald geen fan van Islamitische Hamas en heeft de gele vlaggen van de meer seculiere Fatahpartij op het dak van zijn huis wapperen. „Ik kan alleen maar hopen dat mijn kinderen voor de rest van hun leven niet meer omringd zullen zijn door de dood”.

En buurman Hania?

„Die is sinds de oorlog nog niet in het kamp gesignaleerd”, zeggen alle mannen in koor.

mailIcon print |