Op een van drank en sigaretten doordesemde nacht zag hij opeens het licht. Hoeveel duiven kon je wel niet voeren van het geld dat hij tot nu uitgaf aan drinken en roken?
Zo althans vertelde Gerard Fieret het, wanneer je vroeg hoe hij ertoe was gekomen om, met grote emmers aan zijn fietsstuur, elke dag de duiven in de Haagse binnenstad te voeren. Hij rookte en dronk niet meer en voerde in plaats daarvan de Haagse duiven.
Zo kende Den Haag hem het beste: als de bebaarde zonderling die met een fiets vol duivenvoer door het centrum toog.
Daarnaast was Gerard Fieret fotograaf, dichter en schilder. Als fotograaf was hij het beroemdst – al fotografeerde hij sinds lang niet meer. In de jaren vijftig en zestig wel. Hij was er in zijn tijd op de kunstacademie al mee begonnen, toen fotografie nog lang geen gerespecteerde kunstvorm was. Hij legde het Den Haag van toen vast, maar zonder zich de dwang op te leggen dat een foto scherp zou moeten zijn, een horizon recht, het onderwerp spannend. Maar zelfs dan waren zijn foto’s bijzonder.
Daarnaast schreef Fieret onophoudelijk gedichten en maakte hij op bierviltjes miniatuur-achtige schilderijtjes en tekeningen.
Een paar keer brachten zijn gedichten het tot een officieel uitgegeven bundel: ’De trommel van de vrijbuiter’ uit 1973 en ’De lasso van de minnaar’ uit 1980. Daarna verscheen zijn poëzie in een veredelde vorm van eigen beheer: Wieteke van Dort, wiens protégé hij was, gaf het uit.
Van Dort was Fieret ook te hulp geschoten toen hij het in 1996 aan de stok kreeg met zijn buurtgenoten in de keurige Weissenbruchstraat, in het Benoordenhout. De buurt had er last van dat Fieret met zijn gevoeder duiven aantrok. Dat hij binnen zijn eigen huis zijn foto’s en tekeningen liet bevuilen door duivenpoep moest hij zelf weten, maar zij wilden er geen hinder van ondervinden. Van Dort zette toen een actie op touw waardoor Fieret in Wassenaar op een plek kon wonen waar hij niemand hinderde.
Gerard Fieret ging door het leven in de overtuiging dat anderen zijn werk wilden stelen. Zijn foto’s, wist hij, waren buitgemaakt bij ’roof-infiltraties’, meestal uitgevoerd door ’een leuke, knappe meid’.
Zijn gedichten waren gestolen door Hans Lodeizen, wist Fieret al even stellig. Diens bundel ’Het innerlijk behang’ was gestolen goed, door „dat miljonairszoontje uit Wassenaar” ooit in café De Posthoorn op Fieret buitgemaakt toen die even naar de wc was. Ach, zo ging het toch altijd, wist Fieret. Lees er ’De literaire onderwereld tijdens het Ancien Régime’ van Robert Darnton maar op na, adviseerde hij. Zelfs de negatieven en de foto’s die hij in bewaring had gegeven van het Prentenkabinet in Leiden, waren daar niet veilig, wist hij.
Toen Gerard Fieret in 2004 tachtig werd, was in het Fotomuseum in Den Haag een grote tentoonstelling van zijn fotowerk te zien. Donderdag 22 januari overleed hij aan een longontsteking, 85 jaar oud.
Tussen 1955 en 1962 speelde Aad Bak ruim 155 officiële duels voor Feyenoord. Voor die tijd speelde hij bij Holland Sport, Excelsior en profclub Rotterdam. In zijn Feyenoord-jaren beleefde hij twee landskampioenschappen (in 1961 en 1962) en kwam hij één keer (in 1956) uit voor het Nederlands Elftal, in een wedstrijd tegen Saarland.
Aad Bak was op alle plaatsen voorin en op het middenveld inzetbaar. Hij was rechtsbenig, maar ontwikkelde zich met veel training tot tweebenigheid. Aad Bak deed aan atletiek en hield van trainen. Hij trainde eigenlijk liever dan hij speelde.
Bij Feyenoord speelde Bak vooral linkshalf, vóór Tinus Osterholt en achter Coen Moulijn. Toen zijn loopbaan als voetballer was geëindigd hervatte hij zijn werk als kassier bij de Amro-bank en werd hij trainer in het amateurvoetbal. Donderdag 16 januari 2009 overleed hij in Schiedam, 82 jaar oud.
Een kabouter is verhoudingsgewijs vele malen sterker dan de mens. Hij heeft de trol als zijn grootste vijand en zorgt met toewijding voor de wilde dieren en de natuur. Feiten als deze mogen bijna algemeen bekend worden verondersteld, sinds ze werden gepubliceerd in de klassieker ’Leven en werken van de kabouter’ van de illustrator Rien Poortvliet en Wil Huygen, die de teksten schreef.
Het boek verscheen in 1976 en beleefde vorig jaar de zestigste druk. Onder de titel ’The Gnomes’ en in vele andere vertalingen veroverden Poortvliet en Huygen er de wereld mee. Langer dan een jaar stond het zelfs nummer één op de lijst van bestsellers van de New York Times. Huygen leerde Poortvliet kennen bij de jacht, een passie die ze deelden. Hij leefde van zijn werk als huisarts in Nijmegen en had naast Poortvliet een bescheiden rol. Hij liet zich niet graag interviewen, maar zou wel door Poortvliet worden getekend in het tweede boek over kabouters dat het duo samen uitbracht: ’De oproep der kabouters’ uit 1981. Dit boek kwam volgens de twee tot stand nadat kabouters hen hadden ontboden naar het verre Lapland en vandaar naar Centraal-Siberië, om nog meer inzicht te geven in hun bestaan. Naar verluidt verschijnt er dit jaar een nieuw kabouterboek met niet-gepubliceerd archiefmateriaal van 21 jaar geleden: ’De wereld van de kabouter’. Rien Poortvliet overleed in 1995.
Huygen schreef ook nog andere boeken, vaak met een nostalgische of mysterieuze inslag. ’Het boek van Klaas Vaak’, uit 1988, bijvoorbeeld, dat later werd omgedoopt naar ’Tussen gaap en slaap’. Andere titels van Huygen zijn ’En buiten lag het paradijs’ en ’De geheime nachten van Jochem.’
Willibord Joseph Huygen overleed afgelopen woensdag in zijn woonplaats Bilthoven, 86 jaar oud.
Hij wordt beschouwd als een van de meest vooraanstaande orthodoxe denkers van zijn tijd. En dat voor iemand die ouders had die overtuigd atheïst waren.
Als leraar geschiedenis ontdekte Clément op z’n 27ste de schoonheid van het oosters-orthodoxe christendom. Hij liet zich dopen en besloot theologie te gaan studeren bij onder andere Vladimir Lossky.
Clément werd een gezaghebbend theoloog. Hij was een groot pleitbezorger van de oecumene. Hij was ook een criticus van het westers christendom. Zo schreef hij in „l’Autre soleil”, over de aanblik van kruisbeelden: „Ik zag vooral dat hij dood was. Christenen en, zoals ik moet preciseren, christenen van het Westen, waarom hebben jullie Jezus overal voorgesteld als een kadaver, als een dode zonder hoop, hem, de overwinnaar van de dood? Het lichaam van Jezus is nooit een kadaver zonder meer geweest, de Geest bleef het altijd doordringen”. Clément had gesprekken met Patriarch Athenagoras, met paus Johannes Paulus II en met broeder Roger, leider van de gemeenschap in Taizé.
Op 15 januari 2009 overleed Clément in zijn woonplaats Parijs, 87 jaar oud.
Bijdrage: Wouter Bax
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.