Ook in Maastricht kent onze familie deze wafeltjes. Sterker: wij aten rond Kerst en met Nieuwjaar geen oliebollen maar steevast weffelkes en waffele. Een eenvoudig deeg van gelijke delen boter, suiker en eieren met een dubbele hoeveelheid bloem. Er moest altijd bakammoniak in en veel vanillesuiker. Gekneed met de handen en, als het veel was, moest er een mannenhand aan te pas komen. Het deeg moest één nacht rusten.
In de familie waren één of twee wafelijzers die rond Kerstmis de ronde deden. Zusters en schoonzusters leenden elkaar de ijzers uit en gebruikten ze om beurt. Ook dezelfde dubbele zwarte ijzers als in andere delen van het land, die op de gaspit werden verhit. Er hoorde een zwarte ring bij die steun bood op die gaspit. De keukentafel werd ontruimd. Er werd een dag voor uitgetrokken om de honderden wafeltjes te bakken. De tantes, die de wafeltjes proefden bij de koffie of de borrel, boden tegen elkaar op over de hoeveelheden die ze uit één hoeveelheid deeg wisten te bakken. Maar o wee: soms wilde door onbekende oorzaak de wafels op geen enkele manier het ijzer ongeschonden verlaten: het beruchte plakken van de wafels. Het kon de hele kerst verpesten als de wafels plakten en de bakster haar inspanning niet beloond zag met prachtig resultaat. Pure wanhoop!
Ook werden uit hetzelfde deeg wafels gebakken van grovere structuur. Die werden niet heel bros maar na een paar dagen wat zanderig. En tenslotte (en dat was de Belgische invloed) de luchtige gistwafels. In een ijzer met grove ruiten werden luchtige wafels uit gistbeslag gebakken. Vers, heerlijk zacht en knapperig, later wat taaier maar heerlijk met veel poedersuiker erover. Zoals gezegd: ik heb als kind nooit oliebollen gehad, de feestdagen waren de tijd van de wafels en weffelkes. (Ik bak ze nog elk jaar!)
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.