*

 

We belandden nu in de overtreffende trap van klagen

Bert Keizer − 10/01/09, 00:00

Ouderen (ik plaats mijzelf niet buiten deze competitie) vinden het prettig om te klagen. Dat komt goed uit, want de ouderdom komt met gebreken en wat zo heerlijk is, dat aantal gebreken neemt hand over hand toe, niet alleen in ons lichaam, maar gelukkig ook in de wereld om ons heen zodat er met het klimmen der jaren steeds meer aanleiding is om te klagen.

Op weg naar een schaatsplek zat ik in de trein naar Amersfoort. Ik zou daar op het station afgehaald worden door Jaap. Vlak voor het station kwam de trein tot stilstand en trad er een zeer onwelkome stilte in. Na een tergende vijf minuten klonk er een stem door de luidspreker: „Dames en heren, onze excuses voor het ongemak van deze vertraging, maar het station Amersfoort is op dit moment vol en we moeten even wachten totdat er ruimte voor deze trein is aan het perron.”

Vol? Station Amersfoort vol? Het is toch geen Schiphol daar? Trouwens, jullie zagen deze trein al een jaar geleden aankomen bij het vaststellen van de dienstregeling en nou zit het station vol?

Na 12 minuten wachten rolde de trein op onbegrijpelijk zelfvoldane wijze alsnog het station binnen. Twaalf minuten!

Eenmaal in de auto op weg naar het Randmeer raakte het klagen al gauw in een andere versnelling. De treinen waren nog tot daar aan toe, maar de post tegenwoordig! Laatst was Jaap in een postkantoor. Of nee, postkantoren zijn er niet meer, het was zo’n TNT-balie achterin de plaatselijke supermarkt. Bij TNT moest hij altijd denken aan tri-nitro-tolueen, een goedje dat van hem onder de gelijknamige organisatie geschoven mocht worden in de bekende vorm van dertig centimeter lange staven in afdoende dozijnen bijeengepakt en voorzien van een brandende lont.

Hij had een pakje voor Ghana. Het meisje achter de balie dat niet goed wist wat ze met de nogal grote doos aan moest vroeg hem op verwijtende toon: „Ghana? Is dat een land? Of een stad of zoiets?”

„Het is een land, ergens in Afrika”, zei Jaap op verzoenende toon, waarin hij deed doorklinken dat hij het helemaal niet erg vond dat ze dat niet wist. Dat had hij beter niet kunnen doen, want nu voelde zij zich neerbuigend behandeld en begon ze als antwoord hem neer te buigen.

De menselijke aard, u weet hoe wij zijn.

Haar respons was: „Afrika kan ik niet, dat doet Nanette altijd.”

En voordat Jaap had kunnen vragen of Nanette wellicht te bewegen was tot een aantal initiƫrende manoeuvres rond het in gang zetten van de zuidwaartse reis van zijn kerstpakket, kreeg hij te horen dat Nanette met pauze was. Een pauze overigens van oninschatbare duur. Drie kwartier later was hij zijn pakket eindelijk kwijt.

Na de trein en de post lieten we de publieke dienstverlening verder even zitten en gingen we kort langs bij de cabaretiers: Youp, Freek en Dolf, allemaal predikant geworden met dat verwijtende ondertoontje. Geen wonder dat Hans Teeuwen, de enige die zich diep in het domein van de echte lach durfde te begeven, uit angst voor zijn isolement daar, op zijn schreden terugkeerde ’ja, om vervolgens in de armen van kitscherige jazz te belanden’, klaagde Jaap gemelijk verder. Dat ging mij weer ietsje te ver, maar nu begin ik over Jaap te klagen en dat kan hier natuurlijk niet.

Ook op zijn kegelclub werd veel geklaagd. Allemaal zestig tot zeventig jaar oude mannen die ooit een dikke vinger in de pap hadden en die elkaar vroeger vermaakten met verhalen over onderhandelingen met ministers, gemeentebesturen, aartsbisschoppen of oliemagnaten over te bouwen of te slopen woonwijken, ziekenhuizen, liefdadigheidsacties, offshore ventures en hogescholen.

„Maar ze hebben geen zaak meer en komen nu allemaal met hun falende somatiek aanzetten, veelal over lichaamsdelen of functies waarvan je niet wilt weten dat een ander ze ook heeft. Ogen en gewrichten kan ik nog wel hebben, maar als ze beginnen over prostaat, darm, urine, poeperij of uitblijvende stijfheid rond de daad dan denk ik gadverdamme, hou dat nou toch bij je.”

We belandden nu in de overtreffende trap van klagen, het meta-klagen waarin er gezeurd wordt over de inferieure kwaliteit van het klagen dat anderen doen.

Op de kegelclub werd de somatiek velen te machtig en kwam men tot een vergelijk. Tijdens de eerste twintig minuten van het samenzijn mochten lichamelijke gebreken vermeld worden waarna werd overgegaan tot de orde van de dag: kegelen. Deze afbakening werkte verfrissend want het onderwerp werd nu zo nauwkeurig geduid, dat het verschrompelde tot iets dat lichtelijk beschaamde.

„Alleen zitten ze nu allemaal te zeuren over hun teruglopende geestelijke vermogens.” De menselijke aard.

Als ik Jaap suggereer dat het grotendeels een kwestie van leeftijd is, want twintigers hoor je nooit over postkantoor of trein, is zijn antwoord: „Dat is mijn grootste klacht, dat jongeren tegenwoordig genoegen nemen met een dienstverlenings- en amusementsniveau waarvan je objectief kunt aantonen dat’

Het ijs was overigens heerlijk.

mailIcon print |