Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een wekelijkse polemische column.
Bankier Floris Deckers heeft excuses aangeboden voor het wanbeleid van zijn beroepsgroep. Zijn eigen bank heeft zich relatief ingetogen gedragen, maar dat maakt zijn mea culpa niet onzinnig. Mensen worden ook aangekeken op fouten die zij niet gemaakt hebben, maar leden van hun groep wel.
Bijster modern is dat niet, want ons individualisme wil dat wij alleen verantwoordelijk gehouden worden voor wat we zelf hebben gedaan. Juridisch is dat een mooi beginsel, maar in de moraal van alledag werkt het anders. Duitsers nemen we de Tweede Wereldoorlog nog altijd een beetje kwalijk, mannen worden bij iedere lustmoord weer een stukje sinisterder en milieubeschermers dragen onwillekeurig de moord op Pim Fortuyn met zich mee.
Modern zijn we nooit helemaal geworden, zo heeft de wetenschapsfilosoof Stephen Toulmin vastgesteld. Eerder spelen we met die verlichte moderniteit een gewiekst spelletje. Individualistische monaden, die alleen voor zichzelf zorg en verantwoording hebben te dragen, zijn we als het zo uitkomt. Maar in ons binnenste zijn we wat we altijd al geweest zijn: leden van clans, groepen, kasten en naties die ons maken tot wat wij zijn, met alle bijbehorende lusten en lasten.
Ons ethische besef heeft het er moeilijk mee dat we worden aangekeken op de wandaden van onze groepsgenoten, omdat schuld de maat is geworden van ons morele blazoen. Wie schuldig is, is per definitie degene die ’het heeft gedaan’ en daarvoor moet boeten, volgens het tarievenstelsel van het wetboek van strafrecht. Is de boete voldaan, dan staat hij weer ’quitte’ met de maatschappij. Alleen het strafblad in het justitie-archief herinnert misschien nog aan zijn wandaad.
Ook dat is heel modern en zakelijk gedacht – maar precies in die zakelijkheid schuilt het probleem. Want waar is het bewustzijn van de schuld gebleven? Van de misdadiger verwachten we een blijk van openlijk berouw, maar in het moderne schuldbesef is dat onzichtbaar geworden. Schuld voelen we tegenover ons geweten of tegenover God, maar die zijn alleen in het eigen innerlijk te vinden.
Iemand kan wel schuld bekennen, maar meer dan die woorden neemt de samenleving daarvan niet waar. Misschien steekt het schuldbesef diep, misschien niet – maar enige verplichting lijkt zo’n bekentenis niet meer met zich mee te brengen. De luchthartigheid waarmee een dergelijk mea culpa over de lippen vloeit, blijkt uit de sorry-cultuur die de afgelopen decennia een hoge vlucht heeft genomen. Van ministers tot kerkgenootschappen en zelfs hele beschavingen: iedereen biedt voor wat dan ook zijn verontschuldigingen aan, als even zoveel clichés zonder consequentie of betekenis.
Schuld is de pasmunt geworden die hij eigenlijk altijd al was, want ’schuld’ is een economische term. En daarom kan de boetedoening worden afgehandeld als een soort ruil, waarin het schuldbesef buiten schot of minstens voor de samenleving onzichtbaar blijft.
Wat het publiek in de grote fraudezaken, ook al vóór de kredietcrisis, vooral tot verontwaardiging bracht, was nu juist de totale afwezigheid van enige schaamte bij de grote witteboorden-criminelen, die zich van geen kwaad bewust toonden.
En daarmee komt opnieuw een heel on-modern soort moraal om de hoek kijken. Want schaamte is allang niet meer de kern waaromheen ons ethische besef draait. Maar het is wel de enige manier waarop wij kunnen begrijpen waarom we ons besmet kunnen voelen door wandaden waaraan we zelf niet ’schuldig’ zijn. En ook waarom een louter mea culpa nog niet zoveel zegt en vaak onvoldoende is.
Floris Deckers is dat niet te verwijten. Hij heeft met zijn moedige excuusbetuiging al genoeg gedaan, en bedoelde misschien ook wel dat hij zich schaamde. Gezien de vrolijk doordraaiende bonussencarrousel is dat besef nog niet tot iedereen in de bankenwereld doorgedrongen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.