*

 

Erkenning is voor slachtoffers vaak belangrijker dan geld

Nico de Fijter − 06/04/10, 00:00

amsterdam – „Ook al is het een halve eeuw geleden gebeurd”, zei bisschop Wiertz deze week in de Roermondse kathedraal, „wij ervaren het als een erfschuld, die moeilijk goed te maken is.”

Honderden slachtoffers van seksueel misbruik door rooms-katholieke geestelijken hebben zich intussen gemeld bij letselschadeadvocaten, omdat ze genoegdoening willen. Dat het misbruik in de meeste gevallen inderdaad een halve eeuw geleden gebeurde, zal bij het eisen van schadevergoedingen een grote rol spelen. Want die halve eeuw heeft een paar stevige hindernissen opgeworpen. De kans dat de rechter een schadevergoeding toewijst is niet groot.

De belangrijkste hindernis is de tijd zelf: seksueel misbruik verjaart na uiterlijk twintig jaar. Maar die verjaring geldt alleen als degene tegen wie de claim gericht is –in dit geval de rooms-katholieke kerk – daar een beroep op doet. „Het ligt helemaal aan hoe de kerk zich opstelt”, zegt de Utrechtse hoogleraar privaatrecht Ivo Giesen. „Als die zich beroept op de verjaring is het zeer waarschijnlijk einde verhaal. Maar als de kerk stelt: We weten dat veel zaken verjaard zijn, maar we doen geen beroep op die verjaring, dan kunnen de partijen om de tafel om te kijken tot wat voor schadevergoeding dat zou kunnen leiden.”

Dan doemt echter een nieuwe hindernis op. Want het vaststellen van de schadevergoeding is geen eenvoudige exercitie. Giesen: „Een slachtoffer kan zeggen: ’Door het misbruik heb ik me niet goed kunnen ontplooien, ben ik minder hoog opgeleid en ben ik minder gaan verdienen’. Dan moet je eerst vaststellen of dat inderdaad zo is en vervolgens bepalen hoeveel geld hij daardoor misgelopen is. Had zijn leven anders kunnen lopen als hij niet was misbruikt?”

De vraag dringt zich op waarom het juist de kerk is tegen wie de claims gericht zullen zijn. Het waren individuele geestelijken die zich aan het misbruik schuldig maakten. „Het hangt ervan af wat je met de claim wil bereiken”, zegt Giesen. „Als het je alleen gaat om erkenning, maakt het niet zoveel uit tot wie je je richt. Maar als je het systeem aan de kaak wilt stellen – van een kerk die niet ingreep terwijl binnen haar gelederen erg veel misging – dan is het logisch dat je je claim tegen de kerk richt.”

Maar het belangrijkste argument, zegt ook hoogleraar aansprakelijkheidsrecht Maurits Barendrecht van de Universiteit van Tilburg, om de schadeclaim niet bij de individuele geestelijken maar juist bij de kerk neer te leggen is heel eenvoudig: „Daar is het geld. En in de wereld van de aansprakelijkheid wordt altijd gezocht naar de deep pockets.” En dat is eigenlijk opmerkelijk, vindt Barendrecht. „Want het blijkt keer op keer dat het ’t claimende slachtoffer vaak vooral om erkenning en verwerking gaat en veel minder om het geld.”

Daarom pleit hij voor het aanstellen van neutrale bemiddelaars die met kerk en slachtoffers om de tafel gaan. „Dan zal het minder snel een strijd worden tussen advocaten die veel geld proberen binnen te halen en de kerk die dat probeert te voorkomen. Dan wordt het een proces waarbij het inderdaad om de slachtoffers gaat en om de erkenning van wat hen is overkomen.”

mailIcon print |