amsterdam – Zwijnen zorgen met hun woelgedrag voor natuurlijker bossen, met meer plantensoorten. Dat stellen biologen Stefan Vreugdenhil en Erwin van Maanen in het jongste nummer van het populair wetenschappelijke tijdschrift Zoogdier.
Wilde zwijnen hebben niet zo’n best imago. Vooral omdat ze zich soms buiten de voor hen aangewezen gebieden begeven, op landbouwgrond, campingterreinen of in tuinen. Ze vreten de boel kaal of wroeten strakke grasvelden om.
Blijven ze in de natuur – en zijn ze niet met te veel – dan is hun gewroet echter heel nuttig. Het brengt lucht in de bodem, waardoor organisch materiaal versneld wordt afgebroken. Onderzoek toont aan dat dit op de langere termijn tot een grotere biodiversiteit leidt, oftewel meer plantensoorten. Het wild zwijn is dus goed voor de variatie en de natuurlijkheid van de Nederlandse bossen. Hard nodig, volgens Vreugdenhil en Van Maanen, want veel bossen hebben volgens hen last van ’verstarring’.
2010 is uitgeroepen tot jaar van het wild zwijn, vooral om zijn imago wat op te poetsen. Met rasters en roosters zijn de beesten best binnen natuurgebieden te houden, vinden de biologen. Botsingen met auto’s kunnen worden voorkomen door de snelheidslimiet rondom natuur te beperken tot zestig kilometer per uur. De onderzoekers ontkennen niet dat het beest ook in de natuur schade kan veroorzaken. Het is een ’opportunistische alleseter’ die kwetsbare plantjes kan opeten en bijzondere dieren in de weg kan zitten, zoals het vliegend hert, de noordse woelmuis, het korhoen of de hazelmuis.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.