weblog Verslaggeefster Minka Nijhuis verblijft de komende maanden in Afghanistan. Vandaag haar eerste bijdrage vanuit de hoofdstad Kaboel.
De massieve besneeuwde bergen in de verte vormen een winters decor, maar in de straten van Kaboel is het al aangenaam voorjaarsweer. In de vroege ochtend kwetteren lange rijen meisjes met helderwitte hoofddoekjes naar school. Op het gehavende plaveisel stallen handelaren tomaten, appels en sinaasappels uit en rond de kleine bakkerijen ruikt het naar versgebakken brood. Ik neem het straatleven van de wijk die de komende weken mijn thuis zal zijn, gretig in me op. Het is altijd weer spannend om te ontdekken hoe de berichten vanuit Nederland zich verhouden tot de werkelijkheid ter plekke.
Aktar die me rondrijdt, heeft geen oog voor die alledaagse beelden. Het is drie jaar geleden sinds we samen regelmatig op stap gingen en hij wil zijn gram kwijt over het reilen en zeilen in de stad. Hij wijst op de hoge gebouwen met ramen van blauw en zeegroen glas die boven de blokkendozen van huizen uittorenen. Het zijn bruidshallen waar kersverse echtparen honderden en soms wel duizenden gasten fêteren. Het is een status verschaffend fenomeen dat in hoog tempo om zich heen grijpt, en zeker niet alleen onder de allerrijksten. Aktar windt zich op over het contrast dat een van deze feestlocaties vormt met de lage lemen huisjes die er vlak naast staan. Onder een zeiltje verkoopt een jochie van een jaar of acht benzine uit jerrycans. Twee bemodderde koeien sjokken door de drab. Volgens Aktar is het geld waarmee de feestzalen gebouwd zijn ’dirty’, afkomstig van drugshandel, smokkel of ander machtsmisbruik.
Al luisterend naar zijn verhalen bedenk ik me dat het thuis vaak lijkt alsof de taliban en andere groepen die tegen de regering vechten, de voornaamste kopzorg van alle Afghaanse burgers zijn, maar voor Aktar is de oorlog buiten Kaboel ver weg. Hij maakt zich heel wat drukker om de corruptie en wetteloosheid in zijn land en hij is lang niet de enige. Ook bij andere oude bekenden die ik spreek blijkt het vertrouwen in de overheid inmiddels tot een minimum gedaald.
Al is het geen oorlog in Kaboel, toch oogt een aantal wijken veel grimmiger dan drie jaar geleden. Op de grote wegen patrouilleren veel meer agenten en militairen. Sommige politiebureaus waar ik destijds makkelijk naar binnen liep, zien er met hun zandzakken en slagbomen uit als legerbases. De regeringsgebouwen, ambassades en VN-kantoren zijn nog verder afgeschermd door betonnen muren, bewakers en wegversperringen. Zelfs veel van de kleinere hotels en guesthouses hebben zich vanwege het gevaar van aanslagen verschanst. De controleposten langs de weg naar het ministerie van buitenlandse zaken waar ik me moet registreren zijn toegenomen, maar het röntgenapparaat bij de ingang is buiten werking. Wat dat betreft is er nog niets veranderd. Minka Nijhuis
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.