*

 

Gesprek met inhoud

Cokky van Limpt − 09/03/10, 00:00

De angst dat dialoog met andersgelovigen leidt tot verwatering van de eigen religieuze identiteit, is ongegrond, zegt Rachel Reedijk. Uit haar onderzoek blijkt juist het tegendeel. Maar, wil de dialoog niet blijven hangen op iftar-niveau, dan zal er ook – zonder bekeringsijver – gepraat moeten worden over religieus inhoudelijke onderwerpen.

In haar flat in Amsterdam laat Rachel Reedijk (1950) een ouderwetse zwart-witfoto zien van haar vader, gehurkt op een akker. „Mijn vader is op latere leeftijd gereformeerd predikant geworden. In de Hoeksche Waard, waar we toen woonden, zat hij tussen de aardappelen Abraham Kuyper te bestuderen.

Over etniciteit werd nog niet gesproken in die dagen, de samenleving was nog ingedeeld volgens kerkelijke scheidslijnen. Toen de eerste Turkse en Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland kwamen, waren mijn ouders, als christenen, op een natuurlijke manier solidair met hen. Later, toen mijn vader inmiddels predikant was in Rotterdam, zette hij een dialoog op met Turkse moslims en stelde zijn kerk open voor Turkse gebedsdiensten.”

Tegen die achtergrond van openheid en respect voor andere culturen en godsdiensten ging cultureel antropologe Reedijk ook uitzoeken waar haar eigen wortels lagen. Via de familie van haar vader ontdekte ze haar joodse afkomst. Ze werd lid van de liberaal-joodse gemeente, waarin ze nog altijd actief is, onder andere als secretaris van de Commissie Dialoog. Deze commissie, opgericht in 2002 na het drama van 9/11, streeft naar betere verhoudingen met andersgelovigen, in het bijzonder moslims en christenen.

Het begin van haar dialoogcarrière kan Reedijk exact aangeven. „Dat was in 1989, toen Salman Rushdie ter dood werd veroordeeld door de Iraanse ayatollah Khomeini, na de publicatie van ’The Satanic Verses’. Marokkanen en Turken veranderden ineens van gastarbeiders in moslims en de islam werd een onderwerp. Samen met protestantse en rooms-katholieke pastores en Turkse en Marokkaanse moslims richtte ik in dat jaar een dialooggroep op in Amsterdam-Oost, waar ik opbouwwerk deed onder migranten.”

Ook voor haar proefschrift, ’Roots and Routes’, waarop ze vorige maand promoveerde aan de Vrije Universiteit, koos Reedijk als onderwerp de interreligieuze dialoog. Voor dit grotendeels empirische onderzoek interviewde ze 44 mensen, die actief zijn in de dialoog tussen moslims, joden en christenen; dertien joden, dertien moslims en zestien christenen, uit Nederland (tweederde), Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië.

Ze had verwacht onder deze ervaringsdeskundige dialoogvoerders rolmodellen aan te treffen – mensen die hebben geleerd beter met religieuze en culturele verschillen om te gaan. Dat bleek niet zo te zijn. „Het gros van de deelnemers aan de dialoog is erg voorzichtig en mijdt inhoudelijke geloofsgesprekken. Ook vallen vooroordelen niet vanzelf weg, als men elkaar beter leert kennen. Het verlangen om zélf erkend en begrepen te worden – ’zij begrijpen niets van ons, zij moeten óns beter leren kennen’– is zowel bij moslims, christenen als joden veel krachtiger dan het idee dat zij misschien hun eigen perceptie van de ánder zouden moeten bijstellen.”

Wat de doelen en verwachtingen zijn van de huidige interreligieuze dialoog, blijft vaak impliciet, zegt Reedijk. „De kennismakingsfase waarin de eerste contacten worden gelegd, is meestal een feest van herkenning. Zulke ontmoetingen leiden tot meer begrip over en weer”, stelt Reedijk vast. „Ook al vertrekken veel deelnemers aan de dialoog vanuit de exclusivistische opvatting dat de eigen religie superieur is, en in de hoop dat de ander inziet dat hij moet overstappen, komen de meesten toch onder de indruk van die andere religie. Als moslims voor het eerst een Thora zien, reageren ze met ontzag – dat is een existentiële ervaring. En ze ontdekken bijvoorbeeld, tot hun verrassing, dat joden het Hebreeuws, net als zij het Arabisch, van rechts naar links lezen. Als christenen met moslims praten over de vastenmaand ramadan, gaan ze ook weer nadenken over hun eigen, vaak verwaterde, vastentraditie. En de islamitische gebedstraditie zet ze aan tot reflectie over hun eigen gebedsleven.”

Ook iftars, avondmaaltijden tijdens ramadan – waarvoor moslims steeds vaker andersgelovigen uitnodigen – zijn belangrijk voor het contact en betere begrip van elkaars traditie, vindt Reedijk. „Maar hoe gaan we nu verder, na de maaltijd? Vaak stagneert de dialoog dan en haken de deelnemers teleurgesteld af.”

Volgens Reedijk zou dat niet hoeven als er meer professionele begeleiding bij de dialoog zou zijn. Zij ziet hier ook een taak voor de overheid weggelegd. „In het kader van de verbetering van de sociale cohesie, zou de overheid de dialoog moeten subsidiëren en faciliteren. In Schotland bijvoorbeeld gebeurt dat al, met positieve resultaten.”

Andere factoren waardoor de dialoog hier nog niet zo vlotten wil, zijn volgens Reedijk eigen aan de Nederlandse situatie. „De infrastructuur van de moslims is nog in opbouw. Overal moeten ze op reageren: problemen met jongeren, buurtvaderprojecten, enzovoorts. Ze hebben nog te weinig kader om zich met alles bezig te kunnen houden. Ook de Joodse gemeenschap moest na de Tweede Wereldoorlog haar infrastructuur weer opbouwen en geestelijk herstellen van de oorlogsgruwelen. Daarom bevinden de meeste denkers over de dialoog zich aan christelijke zijde. Maar als er al een voorsprong is, dan is die in millimeters. Mensen die zeggen te weten hoe het moet, berijden stokpaardjes. Daarvoor is de materie te complex.“

Een probleem waarop bijvoorbeeld niemand een antwoord heeft, is hoe om te gaan met de problemen in het Midden-Oosten. „Als het conflict in het Midden-Oosten op scherp staat, ligt hier onmiddellijk de dialoog plat. Burgemeester Cohen heeft in Amsterdam veel geïnvesteerd in een Joods-Marokkaans netwerk. Hij wil het Midden-Oosten agenderen om het zo snel mogelijk van de agenda af te halen. Niet willen worden afgerekend op wat er in moslimlanden en in Israël gebeurt, is valide”, vindt Reedijk. „Maar toch is die betrokkenheid er. Joden hebben familie in Israël, Marokkanen kijken naar Al-Jazeera, en voelen zich solidair met de Palestijnen. Het is goed om niet je ogen te sluiten voor wat er elders gebeurt, maar wat niet kan, is joden en moslims die in Nederland wonen, daarvoor verantwoordelijk stellen.”

Die betrokkenheid zou je een positieve draai moeten geven, vindt Reedijk, door aan Israël en aan moslimlanden het signaal af te geven dat in Nederland joden en moslims wél on speaking terms zijn. „Maar zover is het niet. Het is ook wel heel erg moeilijk om met elkaar in gesprek te gaan, als de wereld in brand staat en de achterban verlangt dat je partij kiest in het conflict.”

De angst dat door de dialoog de eigen religieuze identiteit van de deelnemers zou verwateren en verschillen zouden worden weggepoetst – vorig jaar nog eens expliciet onder woorden gebracht door een aantal prominenten uit de Protestantse Kerk in Nederland, onder aanvoering van Hebe Kohlbrugge, in een brief aan het landelijk kerkbestuur – is ongegrond, blijkt uit Reedijks onderzoek. Zij ziet het tegendeel gebeuren. „Door de dialoog worden de deelnemers juist betere christenen, joden en moslims. De ontmoeting met andere geloofstradities creëert weliswaar een grotere openheid naar het anders-zijn van andere religies en vergroot het onderlinge respect, maar maakt tegelijkertijd de binding aan de eigen geloofsgemeenschap krachtiger.”

Toch leeft, vooral bij joden en moslims, nog steeds de vrees dat de ander erop uit is om hen te bekeren of hun identiteit schade te berokkenen. Die angst voor waarheidsclaims en agressieve missie lossen de dialoogdeelnemers op door niet of nauwelijks te praten over dogma’s en andere religieus inhoudelijke zaken. „De discussie of je mag getuigen van je eigen geloof, begint natuurlijk niet op een blanco vel papier, maar heeft een, vaak pijnlijke, historische achtergrond, vooral in joods-christelijke context.”

Maar het mooie van de dynamiek van de dialoog is juist, zegt Reedijk, dat mensen afzien van bekeringsijver, wanneer ze eenmaal onder de indruk zijn gekomen van de schoonheid van de religie van de ander. In de afgelopen zestig jaar is er ook veel ten goede veranderd in de houding van christenen tegenover joden.

„Van joodse kant zullen wij moeten erkennen en waarderen”, vindt ze, „dat er veel is gedaan aan soulsearching, en dat het jodendom door christenen niet meer wordt gezien als een achterhaalde godsdienst. Dat moet gehonoreerd worden. Het Overlegorgaan Joden en Christenen (Ojec), waarvan ik binnenkort bestuurslid word, heeft veel aandacht besteed aan vergroting van de kennis van christenen over joden. Dat gesprek zou gelijkwaardig moeten worden. Want, zijn joden ook anders gaan denken over christenen? Die vraag moet ik stellen aan mijn geloofsgenoten. Alleen als er sprake is van wederkerigheid en principiële gelijkwaardigheid, kan er een werkelijke dialoog beginnen.”

Daarvoor moeten christenen volgens haar uit hun rol stappen van de schuldbewuste dominant en joden uit hun rol van slachtoffers. Moslims op hun beurt zouden hun neiging moeten laten varen om, met koranteksten zwaaiend – ’islam betekent vrede’ – snel in de verdediging te gaan. „Als iedereen even uit zijn rol stapt en de historische ballast loslaat, kan er een dialoog ontstaan waarin een werkelijk authentiek gesprek mogelijk is van mens tot mens.”

In die ideale gesprekssituatie zouden dan ook geloofsinhoudelijke onderwerpen besproken moeten kunnen worden, vindt Reedijk, zonder angst dat de relatie daarop schipbreuk lijdt. „Want anders blijft de dialoog hangen op iftar-niveau en dringen we in de ontmoeting van mens tot mens niet door tot de kern. Pioniers in de dialoog hebben hun geloofsprincipes wél op tafel gelegd. En dat heeft heel positief uitgepakt. Het heeft hun eigen identiteit versterkt, hun respect voor het anders-zijn van de ander vergroot, en de relaties verdiept. Er zijn echte interreligieuze vriendschappen uit voortgekomen.”

mailIcon print |