0,7 procent is onzin. Er is zeker tien keer zoveel nodig en meer integraal beleid.
Het pleidooi van Anna van Dijk en Dick Pels van GroenLinks (Trouw dinsdag) om je in de discussie over ontwikkelingssamenwerking niet blind te staren op de 0,7 procent is mij uit het hart gegrepen. Misschien vreemd om dat te moeten horen van een hulporganisatie die grotendeels door de overheid wordt gefinancierd. Toch is het niet sinds de verschijning van het WRR-rapport dat Icco (Interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking) dit geluid laat horen.
De 0,7 procent zou er eigenlijk niet toe moeten doen. Het debat kan beter gaan over hoe we vanuit een gevoel van beschaving en moraal werken naar een internationale balans, redenerend vanuit een wederzijds eigenbelang. Dat is het enige wat gewicht in de schaal kan leggen. Want een norm, een percentage doet er helemaal niet toe. Het helpt ons hooguit te voorkomen elk jaar een zinloos debat te beginnen en het helpt Nederland zich als beste jongetje van de Europese klas te profileren.
Het blijft ridicuul om te denken dat het bedrag dat wij internationaal over hebben voor het bestrijden van armoede van twee miljard mensen toereikend zou zijn. Ook als dat, zoals voorgesteld door de WRR, in minder landen besteed zou worden. Honderd miljard euro per jaar (waarvan 4,5 miljard uit Nederland), twee dubbeltjes per dag per persoon.
Als we dan toch over bedragen praten, het zal minstens het tienvoudige moeten zijn, willen we de problemen van de wereld van vandaag aanpakken. Het wereldwijd creƫren van een duurzame en beetje rechtvaardige wereld waar we de problemen van instabiliteit, klimaatverandering, milieuvervuiling, overbevolking, corruptie en overconsumptie, roofbouw op niet vervangbare hulpbronnen en grondstoffen en armoede moeten aanpakken, vraagt wat anders dan 0,7 procent van het bruto nationaal product en heel wat meer dan ontwikkelingshulp.
De aanpak is niet meer een beetje welvaartsoverdracht van rijk naar arm. Het betekent aanpassen van levensstijl, erkennen dat we landen die we nu nog ontwikkelingslanden noemen, erkennen als onze gelijke, als levensbronnen voor de toekomst. Onder de huidige economische en politieke verhoudingen is het bedrag dat hiervoor gereserveerd wordt volstrekt ontoereikend om de internationale problemen te lijf te gaan.
Niet meer het recht van de sterkste zal het uitgangpunt zijn, maar de noodzaak om samen met de nu nog ontwikkelingslanden als soort te overleven. Een waarheid die moeite kost, maar waar we maar beter snel aan wennen. Schaf die belachelijke norm en de hulp in de huidige vorm maar af en laten we maar snel beginnen de ’diepe greppel’ tegen ’ongebreideld kapitalisme’ te gaan graven en de energie te richten op een duurzame en rechtvaardiger wereld te realiseren door iedereen, samen met bedrijven, overheden, ngo's en individuen; de rest is surrogaat .
De agenda van een duurzame en rechtvaardige vorm van internationale samenwerking is niet neutraal, maar bestaat uit sociale, economische en politieke kwesties. Daarvoor is in Nederland een geïntegreerd ministerie van duurzame globalisering nodig waarin de beleidsterreinen van economische ontwikkeling, armoedebestrijding, internationale veiligheid en mensenrechten in een goede balans worden verenigd. Zo’n ministerie zou vooral ook een regisserende en stimulerende rol moeten vervullen naar maatschappelijke organisaties en bedrijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.