*

 

Wat nou konvooi? Op naar Port-au-Prince

Bas den Hond − 11/02/10, 00:00

Trouw volgt de hulpgoederen voor Haïti. Vanuit het pakhuis in de Dominicaanse Republiek naar Port-au-Prince blijkt een eindeloze reis.

Het is al donker als de gele Freightliner truck het Aeropuerto de las Americas verlaat, op weg naar Haïti. Voorin zitten chauffeur Zacaria en zijn ayudante José-Roberto. Het is al hun vijfde rit naar de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince voor het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties. Op de platte wagen liggen stapels metalen platen. Op de bestemming worden ze een tijdelijk kantoor, of huisvesting.

Zacaria heeft geen enkele haast om bij de grens te komen, en dat hoeft van het WFP ook niet. In Haïti is het gevaar van overvallen op vrachtwagens te groot, dus wordt er in konvooien gereden, met escorte van de VN-troepenmacht Minustah. Het eerste, zeiden ze in Santo Domingo, vertrekt om zes uur ’s ochtends.

Er is dus alle tijd voor een stopje op de vluchtstrook van de snelweg. Voor een hapje eten natuurlijk. En voor het vervangen van een filter, omdat de dieselmotor van de vrachtauto opeens met veel rook de geest geeft.

Om zes uur ’s ochtends is daar dan de grens. In lange rijen staan een goede honderd vrachtauto’s. Het konvooi vertrekt pas om zeven uur. Zacaria heeft geen zin om daar op te wachten. „Ze gaan zo langzaam. En ik weet zelf de weg wel.” De eerste kilometers laten in de koplampen van de Freightliner een landschap zien dat de chauffeur grote zorgen baart. Het water staat tegen de weg aan en hoeft nog maar enkele centimeters te stijgen om hem te overstromen. En dan moet de regentijd nog beginnen.

Port-au-Prince komt in zicht. De prefabs moeten naar La Promess, een industrieterrein waar het UNDP zetelt. Zacaria vindt de plek vlot, maar besluit na een uur dat dit toch niet goed kan zijn. De vrachtwagen begint aan een rondrit langs de plaatsen waar hulpgoederen meestal heengaan: het terrein van de Amerikaanse ambassade, de logistiek-basis van de VN bij het vliegveld, het vliegveld zelf. Onderweg ontvouwt zich steeds meer de ontreddering van Port-au-Prince: ingestorte gebouwen, iemand op krukken met een half linkerbeen, overal witte auto’s van VN-hulpdiensten en grimmig kijkende patrouilles.

Twee uur en vele vragen en telefoontjes later rijdt de truck voor op de plaats waar de prefabs toch echt moesten zijn: La Promess.

Voor Zacaria en José-Alberto zit de rit erop. Van Haïti vinden ze niet veel. „Een arm land. Altijd al geweest”, zegt Zacaria. Maar dat is de Dominicaanse Republiek ook. En José-Alberto stelt de vraag die hem de hele reis met de gringo al op de lippen brandde: „Kun jij me niet helpen naar de VS te komen?”

mailIcon print |