*

 

nieuwe poëzie

Door: redactie − 30/01/10, 00:00

De twaalfde bundel van de Ierse Nobelprijswinnaar Seamus Heaney (1939) ’District and circle’ werd in diens eigen taalgebied uitvoerig geprezen. Cirkelend om zijn eigen regio en wereld, schrijvend over natuur (’Het planten van een els’) en de Tweede Wereldoorlog, blijft Heaney altijd onvoorspelbaar verbonden met een grote wereld. Op het journaal ziet hij een ezel in ’het bazaardistrict’ „’buiten schot dwalend / Verlost van zijn eigenaar”.

„Er is een taal/ van kaas en kak / van ram en bok/ hoe klip en klaar compact / de woorden zonder smuk of zwier (...)”, dicht Hans Dekkers (1954) in zijn tweede bundel. Dat hij zelf een rijker taal voorstaat, blijkt uit de andere, lyrisch uitwaaierende, romantische, maar niet sentimentele poëzie in deze bundel.

„Liefde, dat is ook een lekker ding. / Kan niet op een rekening gezet. / Vergaart geen rente. Is soms wel ter // speculatie (...). Chrétien Breukers (1965), onder meer redacteur van De Contrabas, schrijft verstaanbare poëzie, waarin de imperfectie wordt bezongen: „Perfectie is vakantie in de gloeiende vijfsterrenhel.”

Russische kinderen lezen tegenwoordig Jip en Janneke (schijnt het), maar lezen onze spruiten Majakovski, Mandelstam, en Daniil Charms? Nee dus! Toch schreven Russen tussen 1923 en 1941 heerlijke kinderpoëzie, waaruit hier een aansprekende keuze is gemaakt.

In zijn zevende bundel identificeert de dichter zich met Kilroy (van het opschrift ’Kilroy was here’). Wie was die Kilroy eigenlijk? In elk geval een voorbijganger, een passant. Harmen Winds interesse in het nomadische, het niet- vastleggende vind je in deze bundel vaker terug: ’het houvast van onze omhelzing is / het bedrog van de bereikbaarheid’.

Veel personages in ’Brommerdagen’ raken in onze complexe wereld het spoor bijster, verklaart de achterplattekst van deze bundel. Complex is bij Baeke vooral ook de wereld dichtbij, in onze eigen omgeving. Bij het ontbijt ’knip jij de broodjes en de koffie uit de krant’. Een jongen die kwaad is op zijn vriendin foetert: „Ze moet me zien, die trut, maar doet van niet. / Loopt dat ik lucht ben, doet een sletje na.”

Herdrukte klassieker, met een nieuw voorwoord van Kees ’t Hart, die de lichamelijke kant van Gorters poëzie (en de sportieve kant van zijn persoon) benadrukt.

mailIcon print |