*

 

Een historische operatie

Bas den Hond redactie buitenland − 22/01/10, 00:00

Herstel van het door een aardbeving getroffen, straatarme Haïti is niet genoeg. Er moet een nieuw Haïti worden geschapen, menen experts. Obama kan kiezen voor een historische onderneming

Onder de straks meer dan 16.000 Amerikaanse militairen die in Haïti hulp verlenen of beveiligen, zijn vast veteranen uit Irak en Afghanistan. Het was minder lang vliegen naar het halve Antillen-eiland, maar wat ze zagen vanuit hun helikopters en troepenvliegtuigen was vele malen verbijsterender. En toch ook weer vertrouwd.

In Irak werd door de Amerikaanse inval een wreed regime van de ene op de andere dag opgeheven. Na korte tijd werden leger en ambtenarij gezuiverd van iedereen die dat regime had gesteund. Het resultaat was een chaos van etnische en religieuze agressie die het land bijna vernietigde.

In Afghanistan werd al even robuust met de taliban-regering afgerekend en begon optimistisch een proces van nation building: democratische instellingen en een verlicht bestuur moesten Afghanistan de beschaafde wereld binnenvoeren. Maar islamisme, nationalisme en drugshandel knaagden daarna vlijtig aan het wankele bouwsel dat de regering-Karzai van zichzelf al was.

Vorige week gebeurde in Haïti hetzelfde, zij het niet op een door de Amerikanen zelf gekozen moment. Een schoksgewijze verschuiving van de Antilliaanse plaat en de Noord-Amerikaanse plaat deed hoofdstad Port-au-Prince een kwartier lang verdwijnen in een stofwolk. Toen die was opgetrokken, had het land geen regering meer.

Nu was dat niet het eerste waar de inwoners mee zaten. Wie het omvallen van zijn eigen muren had overleefd, moest zorgen voor de bevrijding of begrafenis van familieleden, voor eten, drinken, veiligheid. Die veiligheid werd gevonden in de eigen buurt, of in de massaliteit van spontaan ingerichte verzamelplaatsen. Van de regering viel niets te verwachten. Maar dat was vóór de aardbeving al niet veel beter.

En dus worden de Amerikanen met applaus begroet. Ze brengen voedsel, water en, met teams uit de hele wereld, de medische verzorging waar zo schreeuwend behoefte aan is. De vraag is: zullen ze nog meer brengen? En kunnen ze het ook?

Die laatste vraag is redelijk, gezien de twijfelachtige resultaten in Afghanistan en Irak. En in Haïti zelf. Want ook op dat halve eiland hebben de VS al een hele geschiedenis van ingrijpen achter de rug (zie kader).

Voor wie het zo wil zien, loopt er een rechte lijn van een willekeurige dode onder een naar beneden gekomen betonvloer in Port-au-Prince naar tweehonderd jaar wanbestuur in Haïti. Het huis stortte immers in doordat er bezuinigd was op cement in het beton. Bijna alle gebouwen in de stad leiden aan dat euvel. Haïti is nu eenmaal doodarm.

Dat komt onder meer doordat de landbouw in grote problemen verkeert: regenwater wordt niet vastgehouden in de grond, maar spoelt deze juist weg. Ook in Port-au-Prince zorgen bij een heel gewone regenbui aardverschuivingen al voor doden in de sloppenwijken.

De oorzaak daarvan: de extreme ontbossing die nog maar 2 procent van de bomen in het tropische land heeft overgelaten. Die ontbossing begon om commerciële redenen onder de dictatuur van de Duvaliers. Ze ging daarna onstuitbaar door. Haïtianen moeten immers ook koken.

De kwetsbaarheid die dat het land oplevert, blijkt geregeld: gemiddeld eens in de drie jaar komt een orkaan voorbij. In 2008 zelfs drie, en nog een tropische storm, waardoor bijna de hele oogst verloren ging en de bevolking uit honger de straat op ging. Een jaar als 2009, waarin de economie groeide en de VN-vredesmacht Minustah de bevolking redelijk wist te beschermen tegen de bendes die de arme sloppenwijken lang hadden beheerst, was een uitzondering.

Tegen die achtergrond zegt een koor van experts dezer dagen dat het herstellen van Haïti niet het doel moet zijn van de hulpverlening de komende jaren: nee, je moet een nieuw Haïti scheppen, een land dat niet steeds dichter langs de rand van de afgrond scheert.

Die voorstellen ademen een sfeer van grote maakbaarheid. Paul Collier, hoogleraar economie van de universiteit van Oxford en Jean-Louis Warnholz van zakelijk bemiddelaar ’fastafrica’ pleiten op de website van het tijdschrift Foreign Policy voor het verspreiden van de bevolking. De wederopbouw moet zich concentreren op andere steden, die minder kwetsbaar zijn voor natuurrampen. En de landbouw moet alle steun krijgen, zodat mensen niet eens naar de stad willen, en bovendien de voedselproductie op peil blijft.

Volgens Asif Zaidi, manager rampenbestrijding van de milieu-organisatie van de VN (UNEP) is het de hoogste tijd om Haïti te herbossen. Koken moet voortaan op gasbranders.

Maar hoe zorg je dat ze dat kunnen betalen? Dan Schnitzer, van de organisatie EarthSpark International, pleit voor een radicaal moderne aanpak van de energievoorziening op Haïti. De gemiddelde Haïtiaan geeft zes procent van zijn inkomen uit aan verlichting, schrijft hij op dezelfde site, terwijl dat voor een Amerikaan maar een half procent is.

Dat komt doordat elektriciteit voor velen een onbereikbaar goed is. Gas en kaarsen zijn meestal het enige wat ter beschikking is, het elektriciteitsnet van Haïti komt niet overal en was al voor de aardbeving allerminst betrouwbaar.

Maar zo’n hoogspanningsnet is ook niet meer de logische oplossing voor een laag ontwikkeld land, zegt Schnitzer: voor 14 euro heb je tegenwoordig een LED-lantaarn die je met zonneënergie kunt opladen. Huizenblokken kunnen samendoen met grotere zonne-eenheden. Dat alles onder het motto: het zijn de eerste paar kilowattuur elektriciteit die voor de kwaliteit van leven het grote verschil maken.

En zorgen voor elektriciteit, water en wegen is precies wat de regering, of de internationale gemeenschap, nu moet doen, schreven Matias Echanove en Rahul Srivastava van de stedebouwkundige organisatie URBZ deze week in de New York Times. Ze gaven het voorbeeld van een andere stad die goeddeels werd vernietigd, met een vergelijkbaar aantal doden: Tokio aan het einde van de tweede wereldoorlog.

In die stad, ten offer gevallen aan een gigantisch Amerikaans bombardement, had de regering wel nog geld voor het herstellen van de infrastructuur, maar niet voor het herbouwen van de huizen. Dat werd aan de mensen zelf overgelaten, die daarvoor overigens wel bankleningen kregen, zodat het goede huizen konden worden.

Dat beleid had tot gevolg dat buurtgemeenschappen in stand bleven in plaats van versnipperd werden in zielloze hoogbouw. Die buurten hielden ook hun kleine winkels en markten, waardoor er weer een gezonde middenklasse ontstond, een basisvoorwaarde voor een voorspoedige economische en politieke ontwikkeling.

Japan had na de verloren oorlog nog een regering om dat te besluiten. Haïti nagenoeg niet. Voor alle goede of goedbedoelde ideeën is het nog zoeken naar een postbus. Die zou in New York kunnen staan, bij het gebouw van de Verenigde Naties. Maar de kans is groot dat ze daar verzanden in de ambtenarij.

Maken ze in Washington meer kans? De VS hadden eigenlijk hun bekomst van nation building. Maar President Obama heeft de Haïtianen beloofd heeft ze vandaag én in de toekomst te zullen helpen. Dat kan op de gebruikelijke manier: met geld voor hulporganisaties en voor de regering, zoals het tot nu toe altijd ging. Maar hij kan ook kiezen voor een historische onderneming: van een land dat aan het eind van zijn Latijn is, weer een levensvatbare natie maken.

mailIcon print |