*

 

Geschiedenis als levenswerk

Wim Boevink − 21/01/10, 00:00

Het kleine drama van het uiteenvallende geheugen van een van de laatste ooggetuigen zette zich op de tweede dag van zijn verhoor in verhevigde mate voort. Talloze malen moest Thomas Blatt, 83 inmiddels, antwoorden iets niet te weten of zich iets niet te herinneren.

Het voelde als een telkens neergaan en weer overeind krabbelen van een kansloze bokser. En zo waren ook de linkse en rechtse directen die hij te verwerken kreeg: „Meneer Blatt, heeft u niet in uw boek geschreven dat...”, of: „Klopt het dat u in een verhoorprotocol van 1960 uit Ludwigsburg heeft gezegd dat....”, of: „Volgens een protocol in Los Angeles uit 1963 zou u hebben verklaard dat...”, of: „Kent u de passage in het vonnis van de rechtbank van Frankfurt uit 1978 waarin aan u wordt toegeschreven dat....”, of: „Heeft u niet op 19 mei 1979 verklaringen afgelegd voor de Poolse hoofdcommissie voor onderzoek naar nationaal-socialistische misdaden...”, of: „Bent u voor 1981 niet ook eens gehoord door de Amerikaanse Office of Special Investigation en is u toen een foto voorgelegd...”

Zulke vragen moest hij beantwoorden. Hij wist veel niet meer, of maar half. Demjanjuks verdediger wist uit een rechtbankoordeel uit 1978 tegen Hubert Gomerski, een van de kampbeulen van Sobibor, die na eindeloos procederen na 22 jaar celstraf nog jaren in vrijheid mocht leven, een citaat te peuren waarin getuige Thomas Blatt als ’unprecise und wirr’ (weinig precies en verward) werd getypeerd en daarom als getuige ’onbruikbaar’.

Daar sta je dan, 83 jaar oud, je hebt als door een wonder de meest efficiĆ«nte doodsmachine van de nazi’s – het ultrageheime kamp Sobibor – overleefd, je bent de allerlaatste overlevende van een grote joodse familie uit Oost-Polen en je hebt je de rest van je leven ingezet om de wereld te vertellen over deze hel op aarde. Je hebt je aan zware verhoren onderworpen, getuigenissen afgelegd onder de verachtende blikken van je vroegere beulen, je hebt tijdens een proces twee vlechten van vrouwenhaar, opgegraven langs de oever van de rivier de Bug bij Sobibor, op tafel geworpen en bent in een onbedaarlijke huilkramp uitgebarsten. Je droomt nog steeds over dat kamp, die terreur, het moorden, de stok- en zweepslagen, zo erg droom je ervan dat je zegt dat je nog altijd in Sobibor bent, een gevangene voor het leven, een gevangene van een kamp waarvan de SS vrijwel ieder spoor liet uitwissen, een kamp ook waarover binnenkort de revisionistische ’studie’ Sobibor, myth and reality zal verschijnen – daar sta je dus en je spreekt jezelf tegen, je weet iets niet meer, je bent weinig precies en verward, en de verdediging vraagt je naar cijfers, hoeveel kampbewakers deserteerden, hoeveel van hen verlof hadden of ziek waren, alsof je er destijds als administrateur hebt rondgelopen in plaats van als een jongetje dat elke dag probeerde de volgende ochtend te halen.

Nee! Ik weet het niet!

Alsof je, na 66 jaar, alsnog zal worden uitgewist.

mailIcon print |