Het gaat heel goed met de bever in Nederland. Het knaagdier lijkt weinig last te hebben van geschrapte ecologische verbindingszones en uitgestelde corridors. Hij zwemt desnoods het Julianakanaal over.
Het komt toch weinig voor dat een boswachter over de ontwikkeling van een soort meedeelt dat deze ’explodeert’. Vaak is hij zorgelijk over de teruggang, somber over de afname van de biotoop en kritisch over het uitblijven van beschermende maatregelen. Maar over de bever kan Thomas van der Es alleen maar juichen.
De jonge boswachter telt alleen al binnen de grenzen van Nationaal park De Biesbosch negentig burchten. Dat zijn toch al gauw zo’n driehonderd bevers. „Zo’n 22 jaar geleden zijn hier de eerste paren uitgezet”, vertelt hij. „In houten hokken zijn ze vanuit het Elbe-dal aangevoerd. Dat is de enige fout die we gemaakt hebben. Bevers vervoer je niet in houten kisten, die zijn doorgevreten voordat ze op de plek van bestemming aankomen.” Maar toen ze dat transportprobleempje hadden opgelost, ging de start van een heuse beverkolonie vlekkeloos. „Je merkt echt dat ze in ons waterlandschap thuishoren. Hier hebben ze alles mee, zo lang er tenminste niet op gejaagd wordt.”
De jacht was precies de oorzaak van de verdwijning van de bever in Nederland, zo’n 150 jaar geleden. Door zijn gewilde pels en vlees (dat ook in de vastentijd mocht worden gegeten omdat bevers net als vissen zogenaamd ’waterdieren’ waren) werd de bever intensief bejaagd. In 1826 legde de laatste bever bij Zalk (bij Zwolle) het loodje.
In 1988 besloten natuurorganisaties tot herintroductie van de soort. De bever was inmiddels een beschermd dier, dus niet langer kwetsbaar voor de jacht. Het Nederlandse rivierenlandschap vormde nog steeds een geschikt leefgebied. En bevers hadden en hebben een uitermate positieve invloed op het landschap.
Uit het rapport dat Freek Niewold in 2009 in opdracht van Staatsbosbeheer schreef over de ontwikkeling van beverpopulaties in Nederland, blijkt dat bevers vooral de beekdallandschappen in het heuvelland ombouwen tot hoogwaardige leefgebieden voor veel soorten amfibieƫn. Ze leggen namelijk dammen aan in de smalle ondiepe beekjes waardoor er zogenoemde bevermeertjes ontstaan met stilstaand water.
Daarin treffen de onderzoekers veel grotere aantallen van de gewone pad en bruine kikker aan, maar ook de zeldzame vroedmeesterpadden, vuursalamanders en vinpootsalamanders. Doordat de bevers bast eten en bomen vellen om hun dammen te onderhouden, zorgen ze ook voor open zonnige plekken langs de oevers van die beken en meertjes. Juist amfibieƫn zijn bij het uitkomen van hun eieren sterk afhankelijk van zonnewarmte.
Gerrit Kolenbrander is secretaris van de beverwerkgroep van de Zoogdierenvereniging. Hij woont niet ver van De Gelderse Poort bij Nijmegen waar in 1994 bevers werden uitgezet en de Liemers in Montferland waar zij zich inmiddels gevestigd hebben. Na een aarzelend begin waren vooral de herintroducties vanaf 1996 in dit gebied erg succesvol omdat er toen voor het eerst ’kunstburchten’ werden gebruikt. De bevers uit het Elbe-gebied konden in deze door mensen aangelegde schuilplekken eerst tot rust komen. Zonder stress maakten zij eenvoudiger contact met soortgenoten.
Ook uit het oosten klinkt een succesverhaal. Volgens Kolenbrander zijn tussen 1994 en 2000 in de Gelderse Poort 54 bevers uitgezet, inmiddels zijn er meer dan 80. „In Nederland is er nu een beverpopulatie van zo’n 700 exemplaren, al blijft tellen ingewikkeld. Maar het zijn er eerder meer dan minder.
„Het gaat over het algemeen zeer goed met ze, populaties breiden zich uit met gemiddeld 14 procent per jaar, krijgen onderling contact en vermengen zich met populaties die vanuit Duitsland en de Belgische Ardennen hier komen. Die vermenging verkleint het risico op inteelt.”
Ze verplaatsen zich gemakkelijk langs de waterwegen, geholpen door ingrepen in het kader van het project Ruimte voor de Rivier, waarin overloopgebieden worden aangelegd.” In polders waar voorheen werd geboerd, staan nu wilgenbosjes die regelmatig overstromen. Zo worden de oevers ’bevervriendelijker’. „Maar eigenlijk heeft de bever niet veel nodig. Hij ligt niet wakker van het ontbreken van een Ecologische Hoofdstructuur of het gemis van een corridor. Hij komt er zo ook wel.”
Dat hebben ze gemerkt in Zuid-Limburg, waar langs de benedenloop van de Geul deze winter in twee verschillende gebieden sporen van bevers zijn gevonden. Volgens onderzoekers is dit bijzonder omdat de dieren vanuit de Maasvallei naar het Geuldal eerst het Julianakanaal moeten oversteken, dat steile oevers heeft.
„Zo zie je hoe heftig de driften van die beesten zijn”, zegt boswachter Van der Es. „Als de jongen groot zijn, zwemmen ze uit. Ze willen een jaartje bij hun ouders wonen, maar dan gaan ze. Niets houdt hen tegen. Een paartje uit de Biesbosch heeft zelfs een burcht gebouwd in het stadspark van Dordrecht. Hun verstoringsgevoeligheid is minimaal. Zo hebben ze in de Biesbosch hun grootste burcht midden in het recreatiegebied gelegd, waar ’s avonds met muziek wordt overnacht. Het kan ze niets schelen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.