*

 

Therapeut, de school uit!

Paul Helders is medisch fysioloog en kinderfysiotherapeut. Hij is emeritus hoogleraar Klinische Gezondheidswetenschappen. − 22/01/11, 00:00

Het zijn niet alleen de ’hyperouders’ die een perfect kind willen, het is ook de zorgmarkt die gehaaid inspeelt op de wens van die onzekere ouder, betoogt kinderfysiotherapeut Paul Helders.

Minister van Volksgezondheid Edith Schippers zet de marktwerking voor de ziekenhuizen op een laag pitje. Heel verstandig – maar het marktdenken zit veel dieper in de zorg. Steeds meer zorgverleners profileren zich als zorgondernemer met een missie: hun product tegen een concurrerende prijs ’in de markt zetten’.

In de discussie over ’hyperouders’ die streven naar het perfecte kind is de rol van de opdringerige markt – door Lidwien Dobber (Letter & Geest, 15 januari) als etikettenfabriek getypeerd – onderbelicht gebleven.

Toen ik afgelopen jaar afscheid nam als hoogleraar Klinische Gezondheidswetenschappen, hield ik een pleidooi om kinderen vooral met rust te laten. Ik had dertig jaar lang kinderen zien langskomen met allerlei klachtjes, soms alleen verwoord door de ouders. Vaak bleek er niets aan de hand. Kinderen met een beetje van dit en een beetje van dat, met therapie om al die beetjes te behandelen, kinderen die gewoon hockeyden, voetbalden, op vioolles zaten en het zo druk hadden dat ze een agenda bijhielden. Opgefokte, drukke kindertjes met overbezorgde, vaak angstige, goed opgeleide ouders die er alles aan deden om ieder onbehagen of on-geluk uit te bannen. Hun kind moest een leven leiden dat een aaneenschakeling zou zijn van fijne momenten en plezierige ervaringen. ’Wat voor leuks ga je vandaag doen?’

Op mijn pleidooi in een interview in de Volkskrant volgde een stortvloed van reacties, van ouders tot schooldokters, van specialist tot psycholoog, leerkrachten, opa’s en oma’s. Strekking: eindelijk praat iemand erover. Maar waarover precies? Uit de enorme respons bleek dat in dat vraaggesprek een belangrijk aspect niet was benoemd: de markt.

Vroeger ging je met je kind naar de huisarts wanneer je onraad vermoedde. Die bepaalde of meer medisch onderzoek of therapie nodig was. Verder ging je met je kind naar consultatiebureau- en schoolarts (nu: ’jeugdartsen’) voor vaccinaties en screening op ontwikkelingsstoornissen en op nog onontdekte medische problemen.

Langzaam maar zeker drong in de zorgsector het marktdenken door. Vanaf de geboorte staat het ’witte leger’ klaar, op jacht naar de ouders van de huilbaby, de scheve, de slome en de drukke baby. Op scholen kwamen op last van de politiek leerlingvolgsystemen: met herhaald testen en meten kon je problemen blootleggen, de markt was er om ze op te lossen.

De scholen veranderden langzaam van onderwijs- in pseudozorginstellingen. Het vroege opsporen van ontwikkelings-, leer- en gedragsstoornissen kreeg de boventoon. Er waren natuurlijk managers nodig om de enorme papier- en rapportagemachine die dit veroorzaakte draaiende te houden. Zo slokte de bureaucratie de tijd op die de school voordien aan het kind en diens leerproces had besteed.

Het marktdenken kreeg ook vat op zorgopleidingen en organisaties van zorgberoepen. Naast uitsluitend beroepsinhoud kreeg nu ook het ondernemerschap aandacht. ’Producttypering’, ’marketing’, ’producten in de markt zetten’, ’concurrentie’ en ’de zorg als product’ deden hun intrede.

Nederland kent maar een paar studierichtingen met een studentenstop. Bij een nagenoeg volledige onderwijsvrijheid worden in onbeperkte aantallen studenten opgeleid tot wat je maar wilt; onderwijs is óók een product. Zo kennen we, vergeleken met andere landen, veel soorten en grote aantallen zorgprofessionals. Niet de behoefte, maar het aanbod bepaalt dat. Gevolg? Een land propvol zorgverleners, allemaal op zoek naar een niche, naar hun eigen kraampje op de lucratieve zorgmarkt.

Alleen de aanbieder van het beste product tegen de laagste kostprijs overleeft. Dat heet concurrentie, zodat de klant kan kiezen. Tussen wat of wie, uit welke producten, of ze wel nodig of gewenst zijn of niet, daar maakt niemand zich druk over. De zorgmarkt bepaalt alles. De zorgmarkt reguleert zichzelf.

En zo ontstaat een stuwmeer aan hulpverleners – regulier, complementair of kwakzalvend – die voor alle (vaak vermeende) problemen een therapeutische oplossing hebben. Soms met fatale gevolgen, als alternatieve genezers bepaalde ziekten gaan ’behandelen’.

De markt speelt prachtig in op de onzekere, jonge ouders die op zoek zijn naar het maakbare kind. Voor elk wissewasje bestaat een therapie. Scholen vormen daar een onuitputtelijke markt voor. Meester en juf hebben geen tijd meer om te doen wat ze vroeger deden (en nog steeds behoren doen), zoals kinderen leren schrijven. De remedial teachers en andere therapeuten nemen dat over, terwijl de onderwijzer(es) bezig is met het leerlingvolgsysteem, de opsporing van dyslexie en ADHD en het vergaderen met de schooladviesdienst over rugzakindicaties. De gymleraar en de zwemjuf sporen kinderen op die vreemd bewegen. Dat deden de crècheleidster en die van de peuterspeelzaal trouwens ook al: vroegtijdig ontwikkelingsproblemen onderkennen en dan – vaak ongevraagd – meteen een therapeut inschakelen.

In mijn praktijk kwamen de ouders langs die hetzelfde meemaakten wat Lidwien Dobber in haar verhaal beschreef. ’De schooljuf zegt...’, ’op zwemles zeggen ze...’. Zelf hadden ze nooit iets vreemds gezien, maar na dat bericht.... Als ik dan aan het kind vroeg of ie zelf wist waarom ie bij me was, was het antwoord steevast: „Weet ik niet.” En steeds keek het vragend naar zijn ouders.

Kind geen klachten, ouders aanvankelijk ook niet, maar ja, die therapie krijg je toch niet voor niets?

De therapeuten hebben het er zo druk mee dat ze maar op de school zijn gaan werken; dichtbij de klant. En zo kan het gebeuren dat je als ouders een brief thuis krijgt van een therapeut die je vertelt dat je kind niet zo goed hinkelt, niet zo handig met de bal speelt, niet stil zit, lispelt, te hard rent, zo snel is afgeleid, onduidelijk praat, onrustig is, strak zijn pen vasthoudt. En natuurlijk therapie nodig heeft. Ook dat is marktdenken: je wacht niet tot de klant aangeeft een product nodig te hebben, je geeft hem geen keuze. De strot afduwen, heette dat vroeger.

Ik ken een sportief jochie van zeven dat op school zonder medeweten van zijn moeder door een therapeut was ’gescreend’. Hij had tijdens het rennen geen goede balbeheersing. Daar was therapie voor. Zijn moeder was razend, beledigd dat de meester en de huisarts eerder op de hoogte waren gesteld van deze ’therapie indicatie’ dan zij zelf.

Het is duidelijk: ouders willen dat het ’stofkammen’ van de scholen stopt. Zij willen zelf de hulpvraag bepalen. Niet de onderwijzer, geen gymjuf, en zeker niet de therapeut. Maar het halt toeroepen aan deze opdringerige markt is makkelijker gezegd dan gedaan.

In mijn ervaring gaat het veelal om jonge, (over)beschermende ouders die alles willen doen voor het volmaakte geluk van hun kind. Ze zullen moeten wennen aan het feit dat dat niet bestaat, dat kinderen mentaal kunnen groeien van een tegenslag, en dat ontwikkeling letterlijk en figuurlijk een proces is van vallen en opstaan. Ontwikkeling, zo weten we uit de wetenschap, is geen lineair proces, maar kent jumps en bumps: kinderen ontwikkelen zich met hollen en stilstaan. Dat harde gegeven zouden hulpverleners ter harte moeten nemen. Op grond van een eenmalig onderzoek is dan ook geen uitspraak mogelijk, daar zijn meerdere onderzoeken voor nodig. Dan wordt het kind-eigen ontwikkelingsprofiel zichtbaar, dat je kunt vergelijken met dat van de meerderheid van de Nederlandse kinderen.

Ouders zouden meer op hun eigen gevoel moeten vertrouwen en niet meteen op hol slaan als de een of andere therapeut weer meent iets te moeten zien of vaststellen. Maar de hooggespannen verwachtingen van jonge ouders verdragen geen wachten, en al helemaal geen onzekerheid. Je moet immers alles voor je kind overhebben, dus ga je gretig in op ieder voorstel om van je kind een nog beter kind te maken.

Zorgondernemers hebben de onstuitbare drang om steeds meer zorg te verkopen. Het resultaat van hun interventie is bekend: vanwege de aard van de ontwikkeling verandert er altijd wel wat bij kinderen. Ouders en vooral therapeuten zullen die verandering op hun conto schrijven, ogenschijnlijk heeft de therapie van de zorgondernemer een gunstig effect. Waarmee de illusie van het maakbare kind alleen maar sterker wordt. Arme kinderen.

Lidwien Dobber vindt dat de Onderwijsinspectie de etikettenmachine moet helpen stoppen. Terecht: van dat instituut mag je verwachten dat het kinderen op school vrijwaart van allerlei ge-screen en ge-therapie. Ze gaan naar school om iets te leren en niet om behandeld te worden. En als dat al zou moeten, dan alleen op grond van een goede medische indicatie, met goedvinden van de ouders, met een helder doel en voor een vooraf bepaalde tijd, in samenspraak met jeugd- of huisarts. Dus geen eindeloos behandelen omdat het dankzij de therapie nu toch goed gaat met het kind.

We moeten terug naar wat de ethische code gebiedt: alleen de ouders gaan voor een zorgvraag met hun kind naar een zorgverlener, niet de onderwijzer, niet de zwemleraar, niet de schoenverkoper, neen, de ouders. Niemand anders.

Bevindingen worden gedeeld met de ouders en met hun toestemming alleen met de huisarts. In schooldossiers horen geen bevindingen van zorgverleners thuis. De school is een onderwijsinstituut, geen zorginstelling. En zorgteams horen thuis in een zorginstelling, niet op een school.

En de markt? Ach, daar koop je prima vis en groente, maar daar ga je niet naartoe wanneer je hulp nodig hebt. Medische producten bestaan niet, dat is een verzonnen gedrocht. Zorg is een samenspel van betrokken mensen; daar hoort geen commercie tussen te staan.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />