Als later deze maand de Oscarnominaties bekend worden, doet Nederland in elk geval niet mee bij de lange animatiefilm. Dat moet snel veranderen.
Het verleden van de Nederlandse animatiefilm is ’troosteloos en ontmoedigend’ en de toekomst ziet er weinig rooskleurig uit, schreef Marten Toonder in 1946 in zijn boekje ’Tekenfilm’. De oorzaak was dat niemand wilde samenwerken. ’Team-work is een haast onbekend begrip voor ons’. Zelfverheerlijking en eerzucht van ieder individu maken een vruchtbare coöperatie uitermate moeilijk, schreef hij.
Toonders analyse bleef ruim een halve eeuw waarheid, want toen animatiefilmmaker Hans Perk zich een tijdje terug afvroeg waarom Nederland een sterke reputatie heeft in korte animatiefilms, maar zo achterloopt in de lange animatiefilm, vond hij een soortgelijke reden. Nederlandse animatoren zaten op artistieke eilandjes. „Ze maakten het liefst persoonlijke kleine festivalfilms. Begin jaren tachtig moest ik mijn mond met zeep spoelen als ik het woord Disney liet vallen.”
In die tijd werkte hij als assistent van Börge Ring aan de Oscar-winnende korte film ’Anna en Bella’. In 1984 vertrok hij naar Denemarken en richtte het bedrijf A.Film op. Dat bracht vorig jaar alweer de tiende lange animatiefilm uit.
De laatste grote gebeurtenis in Nederland was de Bommelfilm ’Als je begrijpt wat ik bedoel’ (1983), gebaseerd op ’De Zwelbast’ van Toonder. De film trok een half miljoen bioscoopbezoekers. Een vervolg kwam er niet. Voor producent Rob Houwer was animatie een incident en Toonder Studio’s zag niet de mogelijkheid om verder te gaan. In 1991 volgde nog het niet zo succesvolle ’Beertje Sebastiaan’. Daarna werd het stil.
Het Nederlands Fonds voor de Film wil daarin verandering brengen en stelde vorig jaar Willem Thijssen aan als intendant. Als producent was hij betrokken bij de Oscar-winnende korte animaties ’Father and Daughter’ (2000) van Michael Dudok de Wit en ’Een Griekse Tragedie’ (1985) van Nicole van Goethem. De tweede versloeg nota bene ’Luxo, Jr’, waarmee het Amerikaanse Pixar het tijdperk van de computeranimatie inluidde, om later de macht te grijpen met hits als ’Toy Story’, ’Finding Nemo’ en, nadat het in 2006 door Disney was gekocht, ’WALL-E’ en ’Up’.
Het werd simpelweg de hoogste tijd, verklaart Thijssen de omslag bij het fonds. „Animatie is hot, we worden ermee overspoeld. Wereldwijd zijn vierhonderd projecten in productie. In Nederland liggen we erg achter. Wij hebben goeie mensen, maar die zitten vooral in het buitenland.”
Naast Perk vertokken ook andere tekenaars, naar Londen of Los Angeles, of waar dan ook. Zoals Piet Kroon die meewerkte aan ’Shrek 2’ en nu betrokken is bij de nieuwe ’Ice Age’. Robert Stevenhagen die in 1988 ’Who Framed Roger Rabbit’ maakte en vorig jaar het voor een Oscar genomineerde ’Tales of Desperaux’. Of Onno de Jong die in China en de VS aan de slag ging.
Thijssen heeft ervaring met speelfilmbudgetten en dat is iets waar het korte filmmakers aan ontbreekt. „Je maakt niet even met twee vrienden van de kunstacademie een lange film. Het is een gigantische klus waaraan je zo vijf jaar vastzit. Opeens werk je met budgetten boven het miljoen en heb je vijftig tot honderd tekenaars in dienst. Dat geeft veel druk en vraagt om een professionele organisatie.”
Vanwege het zakelijke risico nemen Nederlandse producenten vaak genoegen met een korte animatiefilm. Thijssen hoopt dat te veranderen door producenten van gewone speelfilms te koppelen aan in het buitenland werkende Nederlandse topanimatoren. Hij is in Los Angeles met ze gaan praten.
Een Amerikaanse animatiefilm kost honderd miljoen en levert een miljard op. Een goede Nederlandse animatiefilm kost tussen de drie en zes miljoen euro, schat Thijssen. Het Filmfonds is een van de mogelijke financiers. Verder leggen de filmdistributeur, omroepen, overige fondsen en private partijen geld in.
Thijssen moet zorgen voor goede en kansrijke scenario’s. Hij begon met aanmeldingsformulieren te ontwikkelen voor lange animatiefilms, want die had het fonds nog niet. Zijn tweejarig budget van vier ton, uit het budget van de korte animatiefilm (van 1 miljoen per jaar), gebruikt hij vooral om animatics te laten ontwikkelen, voor maximaal 50.000 euro per stuk. Dat zijn uitgetekende scenario’s met dialoog en geluid, zodat je de film als schets kunt bekijken. Daarmee kunnen de makers naar de Lange Speelfilm-commissie.
Hans Perk merkte op het Holland Animation Film Festival in Utrecht dat jonge tekenaars meer ambitie hebben dan producenten. Dat jongeren enthousiast zijn, komt volgens hem doordat Pixar het wat suffige imago van de traditionele Disney-film heeft opgepoetst.
Tegelijkertijd is het dankzij de computer veel makkelijker om thuis aan de slag te gaan. Hij vergelijkt het met de opkomst van de synthesizer in de jaren tachtig. „Muzikanten die geen viool konden spelen, hadden toch een orkest onder de knoppen. Zo hoef je nu niet per se virtuoos te kunnen tekenen om een karakter te creëren. Ik zat vroeger vier jaar te tekenen voor ik naar buiten trad. Nu zeggen jongeren dat ze ’al een jaar’ bezig zijn en is het resultaat vaak heel behoorlijk.”
Het gevaar is dat de software de baas wordt. Op een animatiebeurs liep Perk langs stands van animatiescholen en vroeg hoeveel tijd aan ’het acteren’ werd besteed, aan het bezielen van een personage. ’Een hele week’, zeiden vertegenwoordigers van een tweejarige opleiding. Perk: „Het tot leven wekken van een karakter is dan een bijzaak in een technisch vak. Terwijl je vooral moet weten hoe je je publiek meevoert. Animatie is emotie.” Toen hij de film ’Robots’ bekeek, bedacht hij dat elk beeldje zo in een lijstje aan de muur kon, zo mooi en knap. „Maar buiten was ik de film alweer vergeten. Een film moet het hart raken.”
In het verleden vroegen kunstacademiestudenten bij het Filmfonds een beurs aan om na hun afstuderen in Engeland te leren animeren. Inmiddels hebben Nederlandse instellingen wat meer affiniteit met animatie. Zo kunnen studenten van de St. Joost in Breda zich erin specialiseren. „Een opleiding met een breed toekomstperspectief. Denk aan computergames en smartphones”, zegt Thijssen. Het is volgens hem zeker niet waar dat de jeugd het liefst in de game-industrie aan de slag gaat. „Ook voor de nieuwe generatie is een film in de bioscoop het allerhoogste. Die liefde is er.”
Dat blijkt ook uit de animo voor het project Ultrakort van het Filmfonds en Pathé-bioscopen. Wie een goed idee heeft voor een animatie van twee minuten, kan razendsnel aan de slag. „In november waren al 25 nieuwe plannen ingediend. Volgend jaar juli worden de vier winnaars vertoond. Niet alleen doen animatoren zo ervaring op, die korte films zijn ook belangrijk omdat ze het bioscooppubliek laten wennen aan Nederlandse animatie.”
België ligt flink voor op Nederland. „Technisch doen we niet voor Hollywood onder”, zegt de succesvolle Belgische producente Viviane Vanfleteren. Ze betwijfelt of de computer zo bepalend was voor de omslag in haar land de laatste tien jaar. „Ik zou zelfs zeggen: helemaal niet. ’Tijl Uilenspiegel’ (2003), waarmee het voor ons begon, was handgetekend, net als ’Brendan: het geheim van Kells’.” Met die film was ze vorig jaar genomineerd voor een Oscar, zoals eerder met filmhuishit ’Les Triplettes de Belleville’ van Sylvain Chomet, die dit jaar de beste Europese animatiefilm maakte met ’The Illusionist’.
Ondernemersgeest en inventiviteit vindt ze belangrijker dan techniek. Evenals een betrouwbaar buikgevoel, ’maken wat ik persoonlijk erg mooi vind’. Ze zocht in Nederland wel eens naar co-producenten, maar trof weinig belangstelling. „Nederland moet meer samenwerken met het buitenland. Maak je wagonnetje vast aan een rijdende trein. Lever animatoren of verzorg de soundtrack. Zo doe je ervaring op waarmee je eigen projecten kunt opzetten.”
Zo ging het ook in België: ’Tijl Uijlenspiegel’ was een samenwerking met Duitsland, ’Les Triplettes de Belleville’ met Frankrijk, en ’Brendan’ met Ierland. Een zakelijk voordeel van animatie is dat je een film in elke taal kunt inspreken. Dat vergroot de afzetmarkt enorm.
Zoals Vanfleterens Oscarnominaties vertrouwen wekken als ze buitenlandse investeerders zoekt, zo is ook financiële steun van het Filmfonds een sterke troef, zegt Perk. „Dat geeft je project een betrouwbare uitstraling. ’Goedgekeurd door de Nederlandse staat’. Potentiële investeerders hechten daar waarde aan.”
Perk regisseert de eerste Nederlandse lange animatiefilm die in de bioscoop moet verschijnen. ’Nijntje de film’ of ’Miffy the movie’, met steun en goedkeuring van Dick Bruna. De echte poppen waarmee gewerkt wordt komen uit Nederland. Als de begroting rondkomt, wordt de film begin 2011 in een Letse studio opgenomen. Midden 2012 kunnen de kleuters ervoor naar de bios.
Het is een typisch Nederlands project en zo heeft Thijssen er meer onder zijn hoede. Zoals ’Trippel Trappel’, een eigenzinnige Sinterklaasfilm, of een film voor het Jeroen Bosch-jaar 2016. Scenario’s die ’voor Nederland actuele, culturele, maatschappelijke dan wel politiek relevante kwesties’ aansnijden, of die gebaseerd zijn op Nederlandstalig literair werk, scoren extra punten bij de beoordeling. De films moeten geen kopieën worden van wat Hollywood allang maakt, zegt Thijssen.
Vanfleterens films hebben elk een eigen artistieke stijl en worden vertoond in filmhuizen. Maar zij gelooft dat ook de Europese commerciële film een succes kan worden. „Zo werkt de Belgische filmmaker Ben Stassen in de stijl van de open studio’s. Zijn ’Fly me to the moon’ en het recente ’Sammy’s Adventure: The secret passage’, onlangs genomineerd als beste Europese animatiefilm, worden heel goed bezocht.”
De moeilijkheid is wel dat de VS zo’n reclamevoorsprong hebben. „Bioscoopkaartjes voor onze films zijn even duur als die voor Pixar”, zegt Perk. „Als een gezin bij de kassa staat, merk je het wervende effect van Amerikaanse marketing.”
„Als over vier jaar een film over pinguïns uitkomt, beginnen die enorme filmconcerns het publiek nu al klaar te maken voor pinguïns”, zegt Vanfleteren. Een andere tak van het concern ontwerpt alvast het bijbehorende computerspel.
Ook Nederlandse producenten moeten zich met merchandising gaan bezighouden, stelt Thijssen. „Zet de karakters van je animatiefilm op pakken appelsap of werk samen met de Hema.”
Thijssen zag hoe duizend animatoren aan het werk zijn in de Pixar Studio’s in San Francisco. In een financieel gezonde filmmarkt zou het mogelijk zijn om, op Nederlandse schaal, een animatiecampus te creëren. „Het zou niet gek zijn als een provincie dat idee oppikt, de juiste mensen vindt, de infrastructuur opbouwt en een animatiefaciliteit creëert. Voor games, commercials, en op termijn lange animatiefilms.”
Thijssen heeft twintig projecten onder zijn hoede. Die Oscar is vooral een kwestie van geduld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.