In de vroege ochtenduren bekeek ik vrijdag het debat en de stemming over de politiemissie naar Afghanistan. Het was geen slecht debat; in tegenstelling tot hun Amerikaanse collega’s deden politici moeite om echt met elkaar in gesprek te gaan.
Elke fractievoorzitter nam dit besluit serieus en de standpunten waren weloverwogen. Maar door de onzekerheid over de beste koers werd het debat versmald en werden de kaders verkleind. De missie moest een civiele zijn, een vredesoperatie. Het Nederlandse ingrijpen werd besproken alsof er heldere morele kaders zijn. Besluiten werden opgehangen aan Nederlands identiteit als vredestichter.
Maar Afghanistan wordt nog steeds door oorlog verscheurd. Zijn deze besluiten, die het civiele karakter van de missie zo zwaar benadrukken, gebaseerd op een illusie? Het zou beter zijn geweest om deze werkelijkheid onder ogen te zien en niet te snel de ’D’ van ’Defence’ te verwijderen uit de ooit unieke 3D-aanpak van Nederland (Defence, Diplomacy, Development). Als de Nederlandse militairen noch de Afghaanse agenten wapens mogen gebruiken om aanvallen af te slaan, wie knapt dan het vuile werk op? Kan Nederland een wezenlijke bijdrage leveren aan de vrede in Afghanistan, zonder zelf betrokken te raken bij de oorlog in dat land?
In de meeste westerse landen, inclusief de VS, gelooft een meerderheid van de bevolking niet meer in de Navo-aanwezigheid in Afghanistan. De Amerikaanse regering doet nog een laatste poging. Zij heeft het afgelopen jaar extra troepen gestuurd, om de strijd tegen de taliban te intensiveren.
Over het succes van deze poging is de Amerikaanse legerleiding vrij optimistisch, maar de vraag is wat er gebeurt als later dit jaar wordt begonnen met de terugtrekking van de troepen. Zullen de verbeteringen in het onderwijs en de gezondheidszorg, de investeringen in de politie en de opbouw van een democratische rechtsstaat vruchten afwerpen en voldoende basis bieden voor vrede? En was het een juiste beslissing om de strijd tegen terrorisme vooral te voeren in Afghanistan?
Nederland heeft in de Navo en in Europees verband ingestemd met de strategie en afgesproken om mee te doen in Afghanistan. De internationale betrokkenheid van Nederland is een diepgewortelde, zelfgekozen identiteit. Nederland was na de Tweede Wereldoorlog koploper in de totstandkoming van de Europese Gemeenschap en haantje de voorste in de wereldwijde strijd tegen onrecht. Het is niet zo dat Nederland nu slaafs de Verenigde Staten volgt of alles doet voor een zetel in de G20, zoals tegenstanders beweren. Maar de wil om mee te tellen in de internationale gemeenschap en een betrouwbare, zichtbare internationale partner te zijn, is deel van de Nederlandse identiteit.
Dat geldt ook voor de behoefte vredestichter te zijn. In tijden van onzekerheid over nut en noodzaak van deelname, bepaalt deze historische identiteit de vormgeving van de missie. Daardoor is het debat verengd tot een welles-nietesdiscussie over de vraag of Afghaanse politiemensen actief zullen deelnemen aan de oorlog. Dit had niet de kern van het debat moeten zijn.
Om succesvol te kunnen ingrijpen in Afghanistan via counterinsurgency’ moet aan veel voorwaarden worden voldaan, merkt James Traub op in New York Magazine. Om weerstand te kunnen bieden aan de taliban moet de Afghaanse bevolking vertrouwen hebben in de eigen regering en durven investeren in haar land. Dat vereist een langdurige, bescheiden inzet van de Navo om het land veilig te maken.
Dat werk is niet gedaan in 2014, het kan een generatie duren. Zoveel geduld hebben westerse landen niet. Het vereist ook de Nederlandse 3D-aanpak, waarbij defensie en het gebruik van geweld niet gescheiden kunnen worden van de andere taken. Elke optie, ook terugtreding, zal geweld met zich meebrengen. Niets doen betekent stammenstrijd in Afghanistan en versterking van de invloed van de taliban. Wat dat betreft had Nederland beter door kunnen gaan op de oude voet, net als bij de missie in Uruzgan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.