De straten van Caïro waren nog nooit zo donker en leeg. Een overmacht aan politie controleert elke zijstraat en steeg die door de demonstranten kan worden gebruikt om te vluchten.
Voor het Tahrir-plein hangteen nevel van traangas, waaruit plotseling een jonge agent opduikt die tot mijn verbazing zijn wapenstok heft en vol uithaalt. Voor ik besef wat er gebeurt, stort een tiental agenten zich op me, elkaar wegduwend om goed te kunnen uithalen.
Na ruim vier jaar als verslaggever in Egypte ken ik het klappen van de zweep. De vele demonstraties die ik als journalist door de jaren heen heb bijgewoond eindigden zonder uitzondering met een extreem gewelddadige reactie van de politie. Maar met de geweldsuitbarsting van de politie tijdens de demonstraties in Caïro op Politiedag, de twee jaar geleden ingestelde feestdag om meer begrip voor de politie te wekken, werd een nieuw dieptepunt bereikt.
Ook voor mij persoonlijk. Doorgaans worden buitenlanders, en zeker journalisten die zich afzijdig houden, genegeerd als het pak rammel wordt uitgedeeld. Soms wordt er een camera kapot geslagen, maar daar blijft het doorgaans bij.
Deze keer niet; terwijl ik vanaf mijn huis door de lege straten richting het plein liep waar de demonstratie werd gehouden, werd ik belaagd door een groep agenten in uniform. Zonder aarzeling rende een van hen op mij af en sloeg me met zijn wapenstok op mijn hoofd.
Ik riep, in het Arabisch en het Engels, dat ik buitenlander was (waar trouwens geen twijfel over mogelijk is gezien mijn uiterlijk) en journalist. Het mocht niet baten, want vervolgens begon ook een tiental van zijn collega’s mij met hun knuppels te slaan, aanvankelijk op mijn hoofd en tussen de benen en vervolgens op mijn rug en armen. Het resultaat is een lichaam dat niet zou misstaan op een poster van Amnesty International. Maar van blijvend letsel is waarschijnlijk geen sprake.
Gelukkig hoorde een politieofficier mijn geroep, en kwam tussenbeide op het moment dat de agenten mij in een busje wilden duwen, waar ongetwijfeld nog een pak rammel op me stond te wachten.
De officier, die in tegenstelling tot de agenten, duidelijk goed opgeleid was, nam mij terzijde en verontschuldigde zich. In het gesprek dat volgde verdedigde hij zich dat hij en zijn mannen enkel een bevel opvolgden. De agenten zouden daarbij woedend zijn over de dood van hun collega, die door vluchtende demonstranten vertrapt werd.
In vergelijking met veel Egyptische demonstranten ben ik er nog goed afgekomen.
Toen rond middernacht werd besloten een einde te maken aan de demonstatie op het Tahrir-plein, waar de sfeer overigens uitgelaten was, met vrijwilligers die water en dekens rondbrachten voor de mensen die van plan waren op het plein te overnachten, barstte het geweld van alle kanten los.
Zonder waarschuwing werd de menigte bestookt met traangas en rubberen kogels. De politie hakte lukraak in op de vluchtende mensen, waarbij niemand werd gespaard. Achter de linies van de politie stonden knokploegen klaar – gemene jonge jongens van eenvoudige komaf – met bakstenen om de demonstranten te bekogelen.
De demonstranten die zich verzetten werden de gangen van het metrostation in gesleept en buiten bereik van de camera’s afgetuigd door groepen agenten. Er werden enkele honderden mensen gearresteerd, waarvan de meeste na een flink pak rammel in de woestijn werden gedumpt.
Dat geldt als een waarschuwing, maar de boodschap is duidelijk: wij zijn hier de baas en dat blijven we, wat er ook gebeurt bij de presidentsverkiezingen later dit jaar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.