*

 

Help, de dokter twittert

Jeroen den Blijker − 14/01/11, 00:00

Patiënten zijn mondiger, zitten massaal op internet en experimenteren met nieuwe media. Dat biedt kansen voor zorgverleners. Maar de ontwikkeling van zorg op afstand, is een spel van vallen en opstaan. En het ontbreekt aan beleid.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

Een consult bij de huisarts in 140 tekens, kan dat? Ja hoor, zegt Arjan Caltaz, fysiotherapeut, vader van twee kinderen en twitteraar. Hij twitterde vorige week om 9.20 uur op zijn mobieltje aan Tweetspreekuur het volgende bericht: @tweetspreekuur Ff een vraag: op kinderdagverblijf hebben alle kids waterpokken gehad, behalve onze dames. Kan waterpokken ook symptoomloos verlopen?

Op de tweet volgt een paar uur later een consult. Tweetspreekuur, vorig jaar oktober gestart door de huisartsen Erik Jansen en Bart Brandenburg, stelt wat wedervragen (@ArjanTweet Hoe oud zijn de dames? Misschien al eerder gehad?), de virtuele dokter linkt naar een publicatie over waterpokken van het RIVM op internet en stelt Caltaz gerust. „@tweetspreekuur Thnx!” besluit hij de conversatie.

Natuurlijk, voor een échte diagnose zou ik naar mijn huisarts zijn gaan, zegt Caltaz een dag later over de telefoon. „Rode plekjes of blaasjes laten zich gemakkelijker beoordelen in de spreekkamer. Maar voor gerichte vragen is Tweetspreekuur prima. Anders had ik het telefonisch spreekuur van mijn huisarts moeten gebruiken.” Al duurde het wel enige tijd voordat Tweetspreekuur Caltaz’ vraag beantwoordde.

Dat komt, legt Bart Brandenburg een dag later uit, doordat we Tweetspreekuur tussen onze gewone werkzaamheden door doen. Brandenburg werkt tegenwoordig bij Medicinfo, een bedrijf voor innovatie van de zorg, Jansen is nog steeds huisarts. „We kijken welke vragen er zijn binnengekomen en handelen die dan dezelfde dag nog af.” Dat kost per vraag meestal slechts een paar minuten en omdat Tweetspreekuur maar een paar vragen per dag voorgelegd krijgt, is dat nauwelijks een extra belasting.

Toen de twitterende huisartsen anderhalf jaar geleden startten, was het drukker. Maar destijds was Tweetspreekuur iets nieuws en haalde de gratis service zelfs ’Het Journaal’. „Nu krijgen we twee, drie tweets per dag, soms ook helemaal niks”, zegt Brandenburg. Een teleurstelling? Ach, zegt Brandenburg. „Twitter wordt erg gehypet, maar is met 200.000 gebruikers in Nederland natuurlijk nog maar een klein medium.”

Dat Tweetspreekuur bestaansrecht heeft, staat voor hem vast. Eigen onderzoek wijst uit dat de patiënten tevreden zijn. Liefst 36 procent van hen keerde al meermalen terug in de virtuele spreekkamer en de service wordt gewaardeerd met een acht. Dat is weliswaar niet zo hoog als de huisartsenspreeklijn (8,6) maar wel beter dan het e-mailconsult van de huisarts (7,8).

Natuurlijk, een recept uitschrijven is er niet bij –dat is ook wettelijk verboden– maar doorverwijzen naar een arts van vlees en bloed, dat kan wel. En wat in de virtuele spreekkamer aan bod komt, bestrijkt net zoveel aspecten van het huisartsenvak als in de reguliere spreekkamer, zegt Brandenburg. „Een derde van onze cliënten is chronisch ziek. Wat zij ons voorleggen, gaat dus ook echt over iets.”

Maar hoe goed zijn hun medische adviezen? Brandenburg wijst op een wetenschappelijke studie, al van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Daaruit blijkt dat een arts op basis van brieven in tachtig procent van de gevallen een goede diagnose kan stellen. „Wij kunnen met gerichte vragen een redelijk betrouwbare indruk krijgen van wat er speelt. Bovendien; ook in de spreekkamer hoeft een huisarts zijn patiënten lang niet altijd lichamelijk te onderzoeken.”

Eigenlijk is het grootste nadeel van deze service dat er geen vergoeding tegenover staat, menen de Twitterhuisartsen. Voor hun Tweetspreekuur ontvingen Brandenburg en Jansen vorig jaar een prestigieuze prijs op een congres over zorginnovatie – wat evenwel niet kan voorkomen dat de buitenwacht er nog steeds ietwat glazig naar kijkt, veelal omdat de kracht van Twitter hen wezensvreemd is. Brandenburg: „Als ik collega’s hierover vertel, kijken ze me al snel aan met een blik van: hoe kún je dit doen?”

Maar de tijden veranderen, zegt Brandenburg. Zeker gezien de oplopende zorgkosten en het te verwachten gebrek aan zorgpersoneel, is er toekomst voor efficiënt werkende gezondheidsdiensten. Niet voor niks maakte het Martiniziekenhuis in Groningen afgelopen week bekend dat het ook een twitterservice gaat opzetten voor zijn patiënten.

Dat is nog maar een begin, denkt Lisette van Gemert, universitair hoofddocent ontwerp en implementatie van eHealth-technologie aan de Universiteit Twente. Van Gemert voorspelt de ontwikkeling van allerlei platforms en internetapplicaties die het mogelijk maken de patiënt én de zorgverlener efficiënter en beter te bedienen. „Neem de revalidatietechniek. Fysiotherapie wordt steeds meer beperkt tot een aantal sessies, dus wat moet je met je knieblessure of je lage rugpijn? Je zou dan via internet heel goed videopresentaties kunnen organiseren om ook thuis mensen te coachen bij hun oefeningen.”

Op dit moment loopt in Almere zo’n soort experiment, onder auspiciën van de Universiteit Twente. Nazorg is langs deze weg ook beter te organiseren, juist in tijden dat ziekenhuizen patiënten steeds korter willen opnemen. „Ook voorafgaand aan een operatie is meer via internet te doen”, zegt Van Gemert. „Nu krijgen mensen bij opname een vragenlijst voorgelegd als ze het ziekenhuis binnenkomen. Maar die kan ook heel goed thuis, in alle rust, worden ingevuld. Net zoals de eerste triage (selectie van patiënten naar de ernst van de kwaal, red.) van de huisartsenpost thuis zou kunnen plaatshebben. We weten uit onderzoek dat mensen dit soort lijsten graag invullen; en de adviezen die daaruit rollen, ook vaak opvolgen.”

Want mensen hebben vertrouwen in technologie, is Van Gemerts overtuiging. „Daar moet je bij zorgvernieuwing gebruik van maken.” Ook sociale media kunnen prima worden ingezet om diverse doelgroepen aan te spreken, denkt de wetenschapper. „Een filmpje op YouTube, over hoe je je tanden moet poetsen, kan meer zeggen dan een folder. Dergelijke media zijn heel effectief om jonge mensen te bereiken. Allochtonen bijvoorbeeld zijn heel goed bereikbaar via Facebook of Hyves.”

Aan initiatieven is er in ieder geval geen gebrek, weet Van Gemert. Zo is fysiotherapeut en twitteraar Arjan Caltaz niet de enige die de mogelijkheden onderzoekt om op de site van zijn bedrijf video’s voor bewegingsoefeningen te zetten. „We werken daarvoor samen met een bedrijf en zijn nu op zoek naar subsidie”, legt Caltaz uit.

Toch heeft Van Gemert haar bedenkingen bij alle plannen. Het ontbreekt aan visie en beleid, meent zij. „Te snel worden dingen opgezet, te weinig wordt daarvan geleerd.” Wat technische experts bijvoorbeeld bedenken, sluit lang niet altijd aan op de behoefte van patiënten en behandelaars. Van Gemert: „Bij fundamentele vragen wordt te weinig stilgestaan. Wie gaat bijvoorbeeld die innovaties betalen? Zie de ervaring met het emailconsult van de huisarts. Dat werd in 2005 met veel enthousiasme geïntroduceerd. Maar dat verdween zienderogen toen de vergoeding voor het emailconsult werd vastgesteld op 4,50 euro, de helft van een telefonisch consult. Begrijpelijk dat veel huisartsen dan zeggen: ’Als ik daarvoor ook nog het patiëntendossier moet lezen en bijhouden, hoeft het niet meer’.”

Bovendien zal de zorg bij veel nieuwe eHealth-toepassingen zich verplaatsen van ziekenhuis naar thuis, analyseert Van Gemert. „En wat betekent dat voor de zorgverlener? Ontstaat er een nieuwe beroepsgroep? En wie is er uiteindelijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg?”

Jan Kremer, hoogleraar vruchtbaarheidskunde, hoofd van het ivf-team van het UMC St. Radboud in Nijmegen, en eHealth-pionier heeft zijn zaken al goed voor elkaar. Hij is de grondlegger van de digitale ivf-poli. Via internet krijgen patiënten algemene informatie over hun behandeling, maar ook toegang tot hun medische dossiers. Daarnaast kan ook worden gechat met lotgenoten.

Een aanpak die zo succesvol is dat UMC St. Radboud voor andere patiëntengroepen ook digitale poli’s ontwikkelt. „Sinds de digitale ivf-poli draait, is mijn spreekuur veranderd”, zegt Kremer. „Vijf jaar geleden moest iedere patiënt bijvoorbeeld worden uitgelegd wat ivf is en moest ik voor hen ook uitvoerig de onderzoeksuitslagen uitleggen. Maar nu ze via internet zelf thuis hun dossier met uitslagen kunnen bestuderen, komen patiënten beter geïnformeerd de spreekkamer in. Dan wordt het gesprek ook meteen anders en komen andere vragen aan bod.” 

In feite is de rol van de patiënt veranderd, analyseert Kremer. De patiënt emancipeert, dankzij internet. „Vroeger was de patiënt vooral iemand die iets overkwam, nu is haar rol in de behandeling volwaardiger. Dat sluit aan bij wat patiënten tegenwoordig graag willen en levert in die zin dus betere zorg op.”

Per saldo bespaart zo’n aanpak ook geld, denkt Kremer. Voor iedere ivf-behandeling waren vroeger zo’n acht consulten nodig, tegenwoordig volstaan een stuk of vier, zegt hij. „Ik vermoed dat zo de productiviteit stijgt, omdat meer patiënten geholpen kunnen worden.” Al is nog nooit onderzocht hoeveel geld dat precies oplevert.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />