*

 

De blik van Mulisch

Wim Boevink − 02/11/10, 00:00

Toen mij gevraagd werd verslag te gaan doen van het proces tegen Ivan Demjanjuk in München, in november van 2009, heb ik aan Harry Mulisch gedacht. En ik vermoed ook dat de collega-redacteur die me dit verzoek deed aan Mulisch dacht. Want wie kan bij zo’n onderneming – verslag te doen van een groot naziproces – nog om Mulisch heen?

In de voorbereiding op ’Demjanjuk’ nam ik ’De zaak 40/61’ ter hand, het boek waarin Mulisch verslag deed van zijn ervaringen bij het Eichmann-proces in Jeruzalem, in 1961.

Hoewel hij destijds zijn bevindingen publiceerde in Elseviers Weekblad, beschouwde hij zichzelf niet als journalist, maar als schrijver, en als hij daarbij verslag deed van zijn ’ervaringen’ dan bedoelde hij ook ervaringen.

Hij noteerde: ’Een ervaring is iets anders dan een gedachtengang: zij verandert. Aan het eind ervan staat iemand anders, voor een deel ook met andere gedachten, dan aan het begin.’ Dat leidde ertoe dat hij tegen het eind van het boek schreef: ’De zaak Eichmann heeft meer met mijzelf te maken dan ikzelf weet (...) Ik kan natuurlijk zeggen: Eichmann is mijn vader. Maar dat is vervelend, dat moeten anderen maar zeggen. Ik zou ook kunnen zeggen: ik ben het zelf. Maar dat is te fraai. Ik kan ook zeggen: in het proces openbaart zich het mysterie van de werkelijkheid.’

Met zulke noties ging hij, een eigen leidraad volgend en met heel zijn persoonlijke inzet, de confrontatie aan, tastend naar wat de mens vermag, in het goede, maar hier vooral in het kwade, en in het besef dat nooit in de wereldgeschiedenis de mensheid zich zo eensgezind gespeend van sympathie opmaakte om één man te vernietigen. Mulisch durfde in die eensgezinde richting een stapje zijwaarts te zetten. Zijn boek zou niet alleen over het proces gaan, maar ook over ’ons’ – zijn lezers.

Die erfenis zat in mijn koffer, toen ik eind november van het vorig jaar naar München vertrok, voor die eerste zittingsdagen. Maar München 2009 was geen Jeruzalem 1961 en Demjanjuk was geen Eichmann: ze zaten beiden in de vernietigingsmachinerie, de een aan de top ervan, de ander helemaal onderaan. Maar die machinerie walste wel door onze beschavingsgeschiedenis, met grote en kleine raderen, alles verpletterend wat van waarde was.

En als Eichmann in ons zat, in ons mensen, dan ook Demjanjuk – als hij schuldig bevonden wordt. Die blik hebben we van Mulisch geërfd. ’De mens’, schreef hij in De zaak 40/61, ’is geen gegevenheid, maar een mogelijkheid – tot alles.’

Aan Eichmanns schuld twijfelde niemand, in Demjanjuks biografie zitten zwarte gaten. Maar zelfs als men die gaten dicht, en Demjanjuk plaatst in dat vernietigingskamp, en hem daarvoor weet te veroordelen, dan nog zal hij deel van ons blijven, en we zullen evenmin als bij Eichmann in zo’n vonnis – zoals Mulisch schreef – de bron vinden die alle kwalen geneest.

Wel hebben we dan geschiedenis geschreven, een zwarte bladzijde. Ze mocht niet ongeschreven blijven.

mailIcon print |