opinie Waarom is op de vraag of God bestaat een taboe komen te liggen, vraagt theoloog Harry Kuitert zich af. En wat bedoelen we dan precies met bestaan? „Bestaan zeg je van een paard of van de planeet Mercurius. Maar niet alles bestaat op dezelfde manier.”
Dat God bestaat was voor Johannes Calvijn in de zestiende eeuw geen punt, voor de scholastiek van reformatorischen huize al evenmin, en tot op Herman Bavincks ’Gereformeerde Dogmatiek’ 1928 (vierde druk) blijft dat zo. Het bestaan van God, kan hij zelfs schrijven, is voorwaarde voor het bedrijven van theologie. Dat lijkt een vanzelfsprekend statement voor theologen, zoals even vanzelfsprekend het omgekeerde geldt voor niet-gelovigen: God bestaat niet.
Ik wil de strijd tussen beide stellingen niet weergeven, maar me afvragen waarom op de vraag of God bestaat een taboe is komen te liggen, alsof het om een spraakgebruik gaat dat een gebrek aan theologisch inzicht verraadt.
Aanstaande donderdag buigt de synode van de Protestantse Kerk in Nederland zich over het rapport ’Spreken over God’, dat naar aanleiding van interne discussies over het bestaan van God is opgesteld. Om een zinnig gesprek over dat taboe te kunnen voeren, moeten vooraf twee vragen beantwoord zijn.
De eerste ligt voor de hand: wat wordt er bedoeld met God? Als je dat in het vage laat kan alles voor God doorgaan, zoveel wisten de godgeleerden van vroeger wel, en daarom vulden ze de Godsleer in met wezen en eigenschappen Gods. Niet populair, vandaag de dag, ik denk dat weinig theologen (ja zelfs theologen) zulke kost lezen, maar niettemin onontkoombaar als lectuur, wil godgeleerd taalgebruik zinvol zijn.
Het woordje ’God’ is, bij voorbeeld, niet als bijvoeglijk naamwoord te gebruiken, dus God in de zin van goddelijk. Dat hoor ik de banketbakker van zijn roomsoezen zeggen, maar in het christelijk geloof is God een subject, een min of meer persoonachtig wezen. Door de eeuwen heen is dat subject meer en meer verfijnd onder woorden gebracht, om tenslotte vastgelegd te worden in confessies en theologische traktaten als het ’enig en eenvoudig geestelijk wezen’ van artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB uit 1561).
Het is niet verboden of misplaatst om het woordje ’God’ in een totaal andere betekenis te gebruiken; wie zou dat trouwens kunnen verbieden? Maar als met ’God bestaat’ de God van het christelijk geloof wordt bedoeld, is God niet een bijvoeglijk naamwoord. In de tekst ’God is liefde’ is God taalkundig subject, en volgens het christelijk geloof kun je die regel niet omdraaien en er ’liefde is God’ van maken.
De tweede vraag is die waarover ik het hier wil hebben. Wat bedoelen we met ’bestaan’, want zonder nadere omschrijving daarvan gaan we alsnog de mist in. Bestaan zeg je van een paard of van de planeet Mercurius. Maar niet alles bestaat op dezelfde manier. Een planeet bestaat anders dan een vogel, en een mens weer anders dan een bloem. Alles wat bestaat, bestaat op z’n eigen manier, en die eigen manier uit zich erin dat de dingen die ik noemde zich elk voor zich verschillend aandienen, wat van zich laten merken.
Wat ze delen, al die verschijnselen, is dat ze er zijn, maar qua wijze van zijn verschillen ze. Dat maakt bestaan tot een wat hachelijke omschrijving als het om God gaat, God is van andere makelij dan een planeet of een steen. Vergeet iemand dat verschil, en bedoelt hij met bestaan dat God er op dezelfde manier is als een bloem of een rots, dan past bestaan niet op God; ’God bestaat niet’ is in dat geval correct. Mocht hier het hele probleem liggen over Gods bestaan, dan is het dus opgelost. God bestaat, maar anders dan al het andere dat bestaat.
Het verschil in zijnswijze is intussen zo groot, dat je wellicht tot de slotsom zou kunnen komen: bestaan is helemaal niet van toepassing op God. ’God is zo groot dat hij niet hoeft te bestaan’ (Manenschijn) is daar een mooie formule voor. Maar nu afgezien van deze speciale uitspraak: als bestaan niet van toepassing is op God, vanwege de oneindige afstand tussen God en zijn schepsel, tussen de Maker en zijn maaksel, dan staan we wel voor een probleem. Bestaan is een term die noodzakelijkerwijze thuishoort in het denkraam, waarin van een kennend subject (de mens) tegenover een te kennen object sprake is, je kunt niet kennen wat je niet tegenkomt. Maar past God in dat schema, is Hij object van ons, dan is Hij, als een bekende, ingekaderd in ons denkraam, en is Hij geen God meer. Past Hij er niet in, dan is het met het kennen van God afgelopen, hij komt in onze schema’s niet voor. Hoe dan verder? Is er wel kennis van God mogelijk?
In de eerste helft van de vorige eeuw werden nieuwe kennisschema’s populair: kennen is je bevinden in een Ik-Gij-verhouding, heel wat anders dan een subject tegenover een object. Zo’n schema paste bovendien, zo was de gedachte, veel beter op wat in de theologie dan openbaring heette. Openbaring moet je niet opvatten – aldus de nieuwe redenering – als een van bovenaf gedropt kennispakket, God doet zichzelf kennen door als een Gij omgang te zoeken met mij, als mens. God kennen is omgang hebben, mystieke omgang met God.
Ik heb deze redenering even gevolgd, met opzet. Want hoe je het ook wendt of keert, welke moderne al dan niet verfrissende terminologie je ook volgt, welke alternatieve en wellicht hoogst adequate kennisweg ook wordt betreden, al het water van de zee wast niet af dat je niet kunt omgaan met iets dat er niet is, en het simpele feit dat er telkens sprake is van omgang met God betekent dat je best weet waarover je het hebt als je ’God’ zegt, er gaat een complete dogmatiek aan het woordgebruik vooraf.
Laat ik het illustreren met een gebeurtenis die half protestants Nederland schokte: de Zeeuwse predikant Klaas Hendrikse schreef een boek onder de titel ’Geloven in een god die niet bestaat’ (2007). Was het provocatie? Poging om eindelijk eens wat meer leven in de vrijwel drooggelegde kerkelijke brouwerij te brengen? Een serieuze poging om anders tegen het christelijke geloof aan te kijken? Of van alles wat (en van het laatste het meeste)?
Behoudende christenen – aangemoedigd door journalisten die er wellicht een gezonde rel in zagen – toonden zich geschokt. Hoe kan dat nu: geloven in een God die niet bestaat? Hendrikse moet teruggeroepen worden van zijn heilloze weg, God bestaat wel degelijk!
Voorlijke gelovigen, met name afkomstig uit de school van Karl Barth, lieten een ander geluid horen. Hebben we altijd al gezegd, beweerden ze, lees maar na bij theologen als Miskotte of Van Niftrik: ’God bestaat’ is heidendom. In het christendom wordt God verkondigd, en dat is heel wat anders dan zeggen dat Hij bestaat. De Romeinen troffen in de tempel van Jeruzalem geen beeld van een godheid aan, en trokken daaruit de conclusie dat de joden atheïsten waren, en dat zagen ze goed. Er is dus niets miszegd met ’God bestaat niet’.
Beetje flauw, deze reactie, en in elk geval ernaast. Want dezelfde theologen die ik zojuist aanhaalde en van wie je vrijmoedig mocht zeggen dat God niet bestaat, praten rustig verder over God en zijn daden. Miskotte, als bewijs daarvoor opgevoerd door zijn aanhangers, schrijft een (briljant) artikel over ’De praktische zin van de eenvoud Gods’, een van Gods eigenschappen uit dat zo vermaledijde artikel 1 van de NGB.
’Hebben we altijd al gezegd’ lijkt mij een vorm van annexatie, en annexatie is altijd de angel eruit wegnemen. Die angel is er wel degelijk: de God die niet bestaat bij Hendrikse is de God die alleen maar in het verhaal bestaat en niet daarbuiten, er is niet een echt subject, niet dat wezen dat in artikel 1 wordt opgevoerd. Al die andere goden uit het Oude Testament bestaan toch ook alleen maar in het verhaal?
Terug naar waar het om gaat. To be or not to be – het oerdilemma van Shakespeare, ook theologen ontlopen het niet. Je kunt niet een God verkondigen die niet bestaat. De klassieke theologen kenden op dit punt geen aarzeling, ze vonden hun uitgangspunt (God bestaat) zelfs met zoveel woorden terug in de Bijbel, in Exodus hoofdstuk 3 vanaf vers 14. De naam van Israëls god wordt door Israëls god zelf uitgesproken: ik zal zijn die ik zal zijn. Vertalingen en interpretaties ervan te over, maar zonder dat woordje ’zijn’ heeft geen enkele vertaling recht van spreken. Zo hoor je het nog eens van God zelf, zei Thomas van Aquino, de Allerhoogste zegt zelf dat hij bestaat: Deus est. En Karl Barth zal het hem later nazeggen, in dezelfde korte formulering: Gott ist. Het is moeilijk vol te houden dat ’zijn’ hetzelfde is als ’niet bestaan’.
De weerzin tegen ’God bestaat’ wortelt in misverstanden, die uit de weg geruimd moeten worden, willen we niet in een netwerk van spraakverwarring terecht komen. Om te beginnen zou het verstandig zijn dat mensen die er een mening over hebben, dus mensen die beweren dat God bestaat of dat Hij niet bestaat, voor de draad komen met wat ze onder het woordje ’God’ verstaan.
Antwoorden als: ja, dat weten we juist niet, we zijn daarnaar op zoek, zijn ongeldig, want nietszeggend. Je moet minstens een ontwerp hebben van waar je naar op zoek bent, een minimaal ontwerp, anders is het zoeken om het zoeken. Ook goed, natuurlijk, maar geen bijdrage aan wat we met God bedoelen.
Wie op die vraag geen antwoord kan geven is veroordeeld tot zwijgen of zwammen. Wie er wel een antwoord op heeft, al is het nog zo schraal, mag doorgaan. God hoeft niet dat wezen uit artikel 1 van de NGB te zijn, begrijp me goed. Maar het is tenminste een duidelijk antwoord op de vraag wat je bedoelt. Ik zeg niet dat het duidelijk is wat daar staat, maar het is duidelijk dat je dat bedoelt als je God zegt.
Dat wezen van artikel 1 is niet de God die in de Bijbel de hoofdrol speelt. Dat is een God die ingrijpt, die spreekt, die gezelschap houdt, die de wereld in zes dagen maakte, de mens uit de paradijs verdreef, enzovoorts. Je kunt dat wel een primitieve voorstelling noemen, maar het is wel zoals de Bijbel in doorsnee over het wezen genaamd God spreekt.
Wil je bij de Bijbel blijven, dan moet je zeggen: ik bedoel met ’God’ Israëls God, en wat de kerk van die primitieve God heeft gemaakt in artikel 1 NGB mag je van mij houden. Ook dat is duidelijk, maar voor veel christenen een brug te ver: God is in de Bijbel een mythologische gestalte, en zo’n God is beneden onze stand. Maar wat dan?
Als de voorschreven voorstellingen niet door de kritiek heen komen, dan blijft er over dat je voor eigen rekening begint, God niet weg, maar God naar maat, ervan maken wat je het beste voorkomt. Daar zijn we vandaag dan ook druk mee bezig. Op z’n best God als chiffre (geheimwoord) voor de diepste ervaring. Iets op tegen? Niets. Als je het er maar bij zegt.
De God der vaderen ben je dan kwijt, het is maar dat je het weet. Voor de één een opluchting, voor de ander verdriet. God is niet meer schepper en onderhouder, niet meer verzoener, niet meer de Vader van onze Here Jezus Christus, heel die leerstellige uitrusting van God ben je dan kwijt. Op z’n best blijft er een kale naakte bonenstaak van een God over, en vaak dat niet meer. God duidt niet meer een sprekend en handelend subject aan. Dat is de breuk, de grote en onherroepelijke en onherstelbare breuk met het traditionele spreken. Alleen het woordje ’God’ herinnert ons er nog aan waar het ooit over ging, over een wezen dat als uitvergroot mens werd gedacht te zetelen in de hemel, en dat op aarde de dingen naar zijn hand kon zetten.
Bestaat God? Ja en nee hebben allebei hun gelijk. De mensen die zeggen dat de God van de Bijbel een mythologische figuur uit een antieke cultuur is, hebben gelijk, hij is een constructie van de bijbelschrijvers, hij is van verbeelding.
De God van artikel 1 NGB is ook een constructie, maar nu dan van het denken, van het diepe nadenken, dat zijn diepte (of: zijn top) bereikt door uit te komen bij een wezen dat het denken te boven gaat. Maar wat het denken te boven gaat denken we niet. Constructie van denken of constructie van verbeelding, het maakt geen verschil, beide zijn constructies, beide zijn wat L. M. de Rijk zo fraai ’denksels’ noemde. God zetelt in onze gedachten, God is een menselijke gedachte: er moesten eerst mensen zijn voordat God bedacht kon worden.
Is dat een nare uitkomst van mijn verhaal? Allerminst, het tegendeel is zelfs het geval. Als alles wat over God gezegd wordt niet slaat op een bestaand wezen, maar menselijke verbeelding weerspiegelt, de manier waarop zij met het leven in het reine denken te kunnen komen (daar is God voor nodig) – als dat alles niet meer leerstellige waarheid is kun je er ook niet meer over vechten. Je hoeft ook niet meer de verbeten strijd met de zogenaamde atheïsten te voeren. Je bespaart je als kerk een afgang, bedoel ik, want dat geloofsvoorstellingen waarheden zijn, die strijd zul je zeker verliezen.
De kerken gaan erop vooruit als ze dat inzien, God wordt weer belangrijk als we zien dat wij hem in het veld hebben gevoerd. Welke God, dat is en blijft een uiterst belangrijke vraag. Waar staat God voor, dat is: waar staan wij voor!
Maar dan hebben we het over onszelf, zal iemand zeggen. Inderdaad, alle godsdiensten weerspiegelen wat mensen over zichzelf en hun wereld denken, ze gaan niet over God maar over God die we in onze gedachten nodig hebben om te overleven. Des te belangrijker is – alweer – welke godsdienst.
Vanuit deze hoek is theologie ook veel leuker. Niet zo’n interessante maar helaas nutteloze exercitie als het gangbare leerstellige uitpluizen, maar hermeneutiek, de vaardigheid om godsdienstige teksten (textiel) uit te leggen als een manier waarop mensen zichzelf en hun wereld zagen, en kijken wat wij daaraan hebben. God bestaat in het verhaal, in de overgeleverde verhalen. Het is een gelukkige uitkomst van een lange zoektocht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.