Ook mensen met een verstandelijke beperking hebben een kinderwens. Daarover praten is een tweede. De koffer ’Kinderen, waar kies ik voor?’ moet helpen bij het bespreekbaar maken ervan.
Ze merkt het tijdens de gastlessen die ze geeft aan jongeren met een verstandelijke beperking. Als ze vraagt wie seksuele voorlichting heeft gehad, gaan nagenoeg alle vingers de lucht in. Maar vraagt ze haar publiek wie ooit met een deskundige, docent of hulpverlener gesproken heeft over een kinderwens, dan blijft het stil. Hetzelfde verhaal als ze de vraag stelt aan een zaal vol studenten of toekomstige hulpverleners. „Het bespreken van een kinderwens zou net zo vanzelfsprekend moeten zijn als het voorlichten over seksualiteit”, zegt Marja Hodes, als klinisch en GZ-psycholoog werkzaam bij ASVZ, zorgverlener voor mensen met een beperking in Zuid-Holland en West-Brabant. „Maar zeker onder mensen met een verstandelijke beperking rust daarop een taboe. En hulpverleners weten niet wat ze ermee aanmoeten.”
Het bracht Hodes (1960) ertoe om de koffer ’Kinderen, waar kies ik voor?’ te ontwikkelen, een verzameling spellen, folders en werkpakketten die moet helpen bij een gedegen afweging. Het Amsterdamse ontwerpbureau Koeweiden Postma verzorgde de vormgeving. Onlangs won het product de Gehandicaptenzorgprijs 2010, van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN).
Dat artsen en hulpverleners moeite hebben het gesprek aan te gaan over de kinderwens van mensen met een licht verstandelijke beperking, bleek al in 2002 uit een rapport van de Gezondheidsraad. „Het wordt gezien als een privékwestie”, zegt Hodes. „Waar bemoei ik me mee, vragen hulpverleners zich af. Er is sprake van een enorme verlegenheid met het onderwerp.”
Komt het zover dat een jonge vrouw bericht dat zij graag een kind wil, dan rinkelen bij hulpverleners alle alarmbellen. Immers, de gevallen waarin het ’misgaat’ staan hun op het netvlies gebrand. „Iemand met een verstandelijke beperking voelt dat onmiddellijk aan en keert de hulpverlener de rug toe. Wie voelt dat er geen vertrouwensband is, raakt uit zicht en kan zijn informatie vervolgens nergens vandaan halen.”
De koffer is gericht op een brede doelgroep. Op mensen met een licht verstandelijke beperking, maar ook hun ouders. Deskundigen kunnen het materiaal gebruiken om cliënten actief te benaderen en een kinderwens ter sprake te brengen. „Het materiaal is niet bedoeld om het krijgen van kinderen te ontmoedigen. Ik wil niets ontmoedigen, laat staan dat ik een voorstander ben van verplichte anticonceptie. Maar ik wil het onderwerp wel ter sprake brengen. Je moet niet vergeten dat ook mensen met een verstandelijke beperking een reële wens kunnen hebben. Die moet serieus genomen worden.”
De laatste jaren bestaat het beeld dat het in gezinnen met verstandelijk gehandicapte ouders kommer en kwel is. Vooral de media leggen die relatie vaak, zegt Hodes, sinds excessen als het meisje Savannah. Hulpverleners staan daarom op scherp. Vorig jaar domineerde ’baby Hendrikus’ wekenlang het nieuws. Het jongetje werd een dag na zijn geboorte bij zijn verstandelijk gehandicapte ouders weggehaald. „Verstandelijk gehandicapten worden er als groep vaak uitgelicht. Zij zijn een makkelijk te stigmatiseren en te herkennen groep, makkelijker dan ouders met een psychiatrische achtergrond of een alcoholverleden”, zegt Hodes. „Maar een verstandelijke beperking is geen doorslaggevende factor bij de vraag of ouders in staat zijn een kind op te voeden. Armoede, of opgroeien in een multiprobleemgezin, is een veel belangrijker determinant.”
Een samenspel van factoren is bepalend voor de vraag of een kind in een veilige omgeving opgroeit. Dat bleek in 2005 uit een studie door de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit, in opdracht van het ministerie van volksgezondheid. Of verstandelijk gehandicapte ouders een ondersteunend netwerk hebben van ouders en vrienden, of ze hulp vragen en accepteren, en of die voorhanden is, dát is bepalend bij de vraag of zij in staat zijn ’goed genoeg’ op te voeden. Dat maakt ook dat Hodes een casus als die van baby Hendrikus ’diep triest’ vindt. „Alle ’beschermende factoren’ kloppen in dat gezin. Desondanks werd het jongetje in eerste instantie uit huis gehaald. Als eerst goed onderzoek was gedaan, was minder overhaast en adequater gereageerd.”
Hodes bepleit niet dat mensen met een handicap hun gang maar moeten gaan, wel dat er gepraat wordt. Ze gebruikte het pakket zelf nog onlangs, bij een jonge vrouw. „Zij had al een kindje uit een eerder huwelijk en dacht na over een tweede. We gingen na wat er zou veranderen en wat zij straks zou moeten laten. Ik zei niet bij voorbaat dat het me niet handig leek. Ik liet haar voelen dat ze deze wens mocht hebben. Maar uiteindelijk trok zij zelf de conclusie dat een tweede kind nu niet verstandig was.”
De effecten van de koffer zijn moeilijk te meten, zegt Hodes, maar ze krijgt veel signalen ’uit het veld’. „Hulpverleners geven aan veel te hebben aan de materialen. Ze treden meer in contact, ze deinzen er minder voor terug om te handelen.” Met het geldbedrag dat verbonden is aan de Gehandicaptenzorgprijs, laat ze de koffer nu in het Engels vertalen. En ook uit Zweden is er belangstelling voor.
„Ik zeg wel eens: ’Je kunt er niet bij in bed gaan liggen’. Je houdt niet tegen dat mensen kinderen krijgen, maar je kunt wel helpen om reële informatie te bieden en een vertrouwensband te kweken. En dat begint ermee dat je de kinderwens van mensen met een licht verstandelijke beperking serieus neemt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.