*

 

Afschieten van grazers goed voor biodiversiteit

Ab van Ittersum en Gijs Vermeulen, internationaal landbouwdeskundige en voorzitter van de stichting Oasebos; dierwetenschapper en natuurgids in Zuid -Afrika − 16/11/10, 00:00

Er zijn te veel grote grazers in de Oostvaardersplassen. Daardoor wordt het natuurgebied een monotone vlakte

Het doel van het huidige natuurbeleid in de Oostvaardersplassen is het realiseren van een zo natuurlijk mogelijk landschap. Daarvoor heeft men in de jaren tachtig van de vorige eeuw grote grazers als konikpaarden, runderen en edelherten ingebracht. Hun verre voorzaten zouden in de oertijd het landschap hebben bepaald. Met dat verschil dat er nu geen natuurlijke vijanden van deze dieren, zoals de wolf en de lynx, meer zijn en zij ook geen mogelijkheid hebben om periodiek weg te trekken naar andere gebieden buiten de Oostvaardersplassen.

Om wille van een zo ’natuurlijk’ mogelijk verloop was en is afschieten geen onderdeel van het beleid. Sterfte door voedselgebrek in de winter is de enige regulerende factor. Het is deze ’wintersterfte’ die elk jaar weer opnieuw tot discussie leidt. Het afschieten van zichtbaar verzwakte dieren is praktijk geworden, want anders dan in de oertijd zijn er geen wolven en lynxen die de kudde klein houden.

Desondanks blijkt jaarlijks toch nog 20 tot 30 procent van de populatie te sterven door het winterse voedselgebrek. Hoewel zulke sterftepercentages niet ongewoon zijn in grote natuurgebieden zoals in Oost-Afrika, is dit gegeven toch aanleiding geweest voor staatssecretaris Bleker om de dieren bij te voeren, met de mogelijkheid tot verder gaand afschieten.

Onderbelicht in de hele discussie is echter de vraag hoe het gesteld is met de biodiversiteit in het ’natuurlijke’ landschap. Dat landschap is het gevolg is van de huidige grote aantallen paarden, runderen en edelherten – naar schatting zo’n 3000 in totaal op dit moment – op een begraasbaar oppervlak van niet meer dan 2000 ha.

Het is algemeen bekend dat een grote ’begrazingsdruk’ leidt tot afname van de biodiversiteit. Een voorbeeld is de situatie die zich voordeed op de Tafelberg in Zuid-Afrika. Aan het eind van de 18de eeuw werd daar de moeflon geïntroduceerd. Natuurlijke vijanden ontbraken evenals migratiemogelijkheden. Het gevolg was een groot aantal dieren en ernstige achteruitgang van de vegetatie. Zeldzame plantensoorten verdwenen, waterbronnen verdroogden. Na 200 jaar de zaak op zijn beloop te hebben gelaten, heeft men in Zuid-Afrika aan het begin van deze eeuw alsnog moeten besluiten tot drastische vermindering van het aantal moeflons.

Een ander voorbeeld is de degradatie van de kelpwouden aan de Canadese westkust door de grote toename van kelp etende zee-egels, die op haar beurt weer het gevolg was van de achteruitgang van de zee-egel etende zeeotters. De voorheen weelderige kelpwouden en de daarmee verbonden planten en kleine dieren namen in omvang en soortendiversiteit dramatisch af.

Ook in de Oostvaardersplassen zal het landschap er – nog meer dan nu – uit gaan zien als een monotone en afgegraasde vlakte, zo ongeveer als een paardenwei met teveel paarden. Vrijstaande kiemende loofbomen worden opgegeten. Doornstruiken die bescherming zouden kunnen bieden aan opgroeiende loofboompjes, worden voortdurend klein gehouden doordat het eetbare jonge blad wordt weggeknaagd. Met als gevolg dat van bescherming van loofboompjes weinig terecht komt.

Alles aan vogels, kleine dieren, planten en insecten dat hoort bij bos en bomen zal hoegenaamd niet voorkomen. Aaseters als vossen en roofvogels uiteraard wel.

Toch hoeft de oplossing niet een kwestie te zijn van het een of het ander. Met een gerichte beheersing van het aantal grazers door afschieten, door introductie van een eveneens te beheersen aantal wolven en lynxen, dan wel door een combinatie van beide, moet het mogelijk zijn een gevarieerd landschap te laten ontstaan met een zo groot mogelijke biodiversiteit. 2010 is het jaar van de biodiversiteit. Reden temeer om vanaf nu het beleid hierop te richten.

mailIcon print |