*

 

’t Gaat beter op De Wouter

Ricus Dullaert − 03/11/10, 00:00

De onderwijsinspectie betitelt 6 procent van de basisscholen als zwak. Veel scholen schrikken daarvan. Eerst zoeken ze de oorzaken buiten zichzelf, maar dan gaan ze aan het werk. Zoals de Limburgse basisschool De Wouter.

  • Onderwijsinspecteur Herman Franssen in groep 3 van basisschool De Wouter. 'Ik zie grote verbeteringen, vooral in de manier van lesgeven', stelde hij de leerkrachten gerust. (FOTO CHRIS KEULEN)

Het is stil in de lerarenkamer van de rooms-katholieke basisschool De Wouter in het Limburgse dorpje America. De gezichten van de leerkrachten staan ernstig. De reden zit in hun midden: vandaag is onderwijsinspecteur Herman Franssen op bezoek.

„Ik wil niet zeggen dat ik de school niet meer herken”, zegt hij. „Maar ik zie grote verbeteringen, vooral in de manier waarop jullie lesgeven.”

De gezichten blijven strak – er volgt vast meer.

Die angst blijkt ongegrond. „Er komt geen ’maar’”, stelt Franssen hen gerust. Pas dan laten de leerkrachten hun opluchting zien.

Een jaar eerder kwam Franssen ook langs op De Wouter. „Daar zullen jullie niet allemaal met vrolijke gedachten aan terugdenken”, brengt de inspecteur in herinnering. Zijn oordeel destijds: De Wouter is een zwakke basisschool. De Citoscores van de leerlingen waren al drie jaar lang onder niveau.

Bij het bezoek bleek dat de leraren de lestijd niet goed gebruikten en dat de school geen goede aanpak had van leerlingen die extra zorg nodig hadden.

Dit overkomt meer scholen. Bijna 6 procent van de Nederlandse basisscholen is zwak. Dat is een verbetering ten opzichte van twee jaar geleden; toen gold dit voor meer dan 9 procent.

Scholen voelen zich vaak overvallen door het etiket ’zwak’, zegt een woordvoerder van de inspectie. „Meestal zijn ze niet zo gericht op de uitslagen van bijvoorbeeld de Citotoets. Ze denken dat het wel goed gaat.” Echte weerstand tegen de methode van de inspectie komt bijna niet voor.

Teleurstelling is er wel. En vaak wijzen scholen op factoren buiten de school. Maar dat heeft weinig zin, zegt de inspectie. „Scholen die dat doen, verbeteren zich minder snel, omdat ze zich niet richten op die dingen waar ze zelf iets aan kunnen doen.”

Zo ging het ook op De Wouter. „In eerste instantie ben je verslagen. Je denkt: hoe kan dat?”, zegt Wim Duffhues (43), meester van groep 7. „Iedereen werkt hard, je hebt het idee dat je goed bezig bent.” Maar, zegt Duffhues, je ziet het ook wel een beetje aankomen in de Citoscores. „Als die al een paar jaar onvoldoende zijn, voel je de bui wel hangen.”

In eerste instantie zocht de school de oorzaak van de tegenvallende prestaties buiten het gebouw. Duffhues: „We dachten dat het voornamelijk aan het taalniveau van de kinderen lag. Dit is een plattelandsschool, thuis spreken ze vaak dialect.”

Ook bezorgde ouders klopten aan, vertelt interim-directeur Bart Mous. „Met vragen als: ’Zit mijn kind hier wel goed?’ Ouders willen – net zoals wij – met trots over de school kunnen praten.” Ouders haalden hun kinderen niet van school; ze hadden ook weinig keus: De Wouter is de enige school van America.

Na de eerste klap kwam De Wouter snel op een aantal punten dat de school zelf kon verbeteren. De problemen waren duidelijk: de leerlingen bleven achter met hun woordenschat en in het begrijpend lezen.

Om het tij te keren schafte de school nieuwe lesmethodes aan. Dat leidde echter niet snel genoeg tot resultaat. In opdracht van de inspectie schreef De Wouter daarom een plan van aanpak.

De leraren kregen nascholing om de lestijd beter te gebruiken. Een ander speerpunt: de samenwerking tussen leerlingen. Zo moeten ook de zwakkere leerlingen actief meedoen aan de les.

Inspecteur Franssen let in zijn tussenevaluatie vandaag extra scherp op deze punten. ’s Ochtends gaat hij daarom bij bijna elke groep een half uurtje in de les zitten. In de middag voert Franssen gesprekken met de intern begeleider, de directeur en de leerkrachten.

In groep 7 is Duffhues bezig met een rekenles. Hij legt van tevoren duidelijk uit wat de klas gaat leren. Elke leraar op school doet dat sinds ze nascholing hebben gehad; doordat de leerling weet wat hij gaat leren, blijft het beter hangen.

Vervolgens zet de meester de leerlingen in groepjes van twee. De een rekent een som uit, de ander is ’coach’ en kijkt of de berekening wel goed gaat. „Mogen jullie vaak samenwerken?”, vraagt Franssen aan Melissa, die achterin de klas zit. „Ja”, zegt ze. „Dat doen we wel vaker bij rekenen.”

Terwijl de leerlingen sommen maken, loopt Franssen door het lokaal. Hij bekijkt de toetsscores van de klas, bladert wat lesboeken door. Dan gaat hij bij een leerling met autisme zitten, die uitlegt wat voor extra oefeningen hij krijgt voor zijn dyslexie.

Franssen: „Die wil ik straks nog even bespreken met de intern begeleider.”

Zijn oordeel over de kwaliteit van het lesgeven is positief. De inspecteur is ook blij met de aandacht die de school nu geeft aan de uitkomsten van toetsen en de betekenis die dit heeft voor de leerlingen.

Toch is De Wouter er volgens Franssen nog niet. „De scores waren dit jaar voldoende, maar met groep 8 van dit jaar zijn ze er nog niet. Daar is nog werk aan de winkel.” En ook groep 7 moet nog hard werken aan begrijpend lezen.

Dat ziet ook directeur Mous. Het betekent dat zijn school moet kiezen. „Het Nationale Schoolontbijt is een leuk initiatief, maar dat doen we nu even niet. Die tijd besteden we liever aan de woordenschat en het begrijpend lezen. Dat blijft een dilemma: besteed je de tijd aan effectief leren of aan de leuke dingen eromheen?”

mailIcon print |