Het gaat slecht met weidevogels. Agrarisch natuurbeheer faalde, dus zet Vogelbescherming Nederland in op de inrichting van grote gebieden waar vogels het voor het zeggen hebben. Duitsland had al de primeur. Daar broeden nu tien eerder verdwenen soorten.
Grote gebieden waar vogels het boerenregiem bepalen, kunnen de eerst stap worden in de redding van weidevogels. De resultaten in het eerste Europese weidevogelkerngebied – de Dümmersee in Niedersaksen, net over de grens in Duitsland – zijn bijzonder hoopvol. Er broeden zoveel weidevogels dat het gebied als zogenoemd brongebied voor het omliggende, nog lege boerenland kan dienen.
Ook Nederland is van plan kerngebieden in te richten voor weidevogels.
Het gaat beroerd met de weidevogels. Zo daalde in ons land de afgelopen decennia het aantal broedparen grutto’s met meer dan 60 procent, het aantal broedparen van de veldleeuwerik met meer dan 90 procent en dat van de watersnip met meer dan 85 procent. De kemphaan verdween zelfs nagenoeg helemaal. In de ons omringende landen is het al niet veel beter.
Na het falen van het agrarisch natuurbeheer, waarbij de nesten wel werden beschermd maar de jongen alsnog verhongerden op het insectarme boerenland, wordt nu gedacht aan het maken van grote gebieden waar de weidevogels het voor het zeggen hebben.
Duitsland heeft de primeur en pakt het meteen groots aan. Eind vorige eeuw is een voormalig landbouwgebied van 2500 hectare in één keer opgekocht en voor weidevogels geschikt gemaakt. De belangrijkste maatregel is het vernatten. Een derde van het land blijft droog, een derde staat in de winter zes tot acht weken onder water en een derde zelfs zes tot acht maanden tussen december en juli.
Bomen worden gekapt: weidevogels willen openheid en bomen trekken hongerige kraaien.
Met begrazing en maaien gaan 140 boeren verruiging van het grasland tegen. De boeren mogen het land gratis gebruiken, maar lopen aan de leiband van de vogels. De dagen waarop mag worden gemaaid of beweid, zijn op de vogels afgestemd.
In de natte delen kunnen de boeren sowieso pas laat in het jaar het land op, in de drogere is het hen niet toegestaan. Zo krijgen de kuikens de tijd om groot te worden. Dankzij uitbraken van hondsdolheid zijn er weinig vossen.
Het succes is overweldigend, zo vertelde Heinrich Belting van de Nedersaksische landschapsorganisatie op een onlangs gehouden studiedag van de Nederlandse Ornithologische Unie. Tien verdwenen vogelsoorten keerden terug als broedvogel, waaronder kwartelkoning, pijlstaart, tureluur, velduil en zomertaling. Het aantal grutto’s verdubbelde in vijf jaar tijd, het aantal broedpaar wulpen steeg van 20 naar 80, watersnippen van 25 naar 90 en de gele kwikstaart verveertigvoudigde. Crème de la crème is de kemphaan, die net als in Nederland vrijwel uitgestorven was en waarvan nu weer een aantal paartjes broedt.
„In de Dümmersee broeden voldoende weidevogels om als brongebied te dienen”, zegt Belting. In een brongebied worden zoveel kuikens geboren dat de soort zich vandaaruit verder kan verspreiden. Belting: „Of dat nu al zo werkt, is onduidelijk: we ringen pas sinds kort.”
Volgens Belting is het waterregiem doorslaggevend. Grutto’s bijvoorbeeld broeden op de hogere pollen in het natste gebied, omdat ze daar veilig zijn voor roofdieren. De nattigheid biedt de kuikens echter te weinig voedsel. De droge stukken herbergen in gewicht drie keer zoveel insecten. „De kuikens pendelen dagelijks tussen nat en droog en leggen gemiddeld zes tot elf kilometer af!”
De Duitse natuurbeschermer waarschuwt wel: „Met kerngebieden alleen ben je er niet. Het boerenland moet ook vogelvriendelijker worden. Anders werkt een weidevogelgebied wel als een source, maar het omringende land als sink; een eindeloze put.”
Vogelbescherming Nederland zet ook in op kerngebieden uitsluitend voor weidevogels en volgt de resultaten nauwlettend. In opdracht van voormalig minister Gerda Verburg onderzoeken de Universiteit van Wageningen, onderzoeksbureau Altenburg en Wymenga en Sovon waar in Nederland dergelijke weidevogelkerngebieden de grootste kans maken. Door de subsidies te concentreren in weidevogelgebieden worden ze effectiever besteed. „Denk aan de Workummerwaard, Waterland en Arkemheen: gebieden waar nu nog veel weidevogels broeden. Voorwaarde is dat de gebieden groot genoeg zijn, voldoende nat en dat ze worden beweid, bemest en gemaaid naar de wensen van de vogels”, aldus Ruud van Beusekom, medewerker landelijk gebied bij Vogelbescherming.
De Nederlandse plannen wijken wel van de Duitse grondigheid af. Tot de kerngebieden behoren straks al bestaande natuurreservaten én agrarische gronden rondom. Die grond blijft in handen van de boeren die subsidies krijgen voor hun vogelbeheer. De hoogte daarvan is afhankelijk van hun weidevogelvriendelijkheid. Van Beusekom: „De eisen zijn aangescherpt. Alleen met een echt vergaand weidevogelbeleid vallen grutto, tureluur en slobeend wellicht nog te redden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.