2010 zal volgens PVV-leider Wilders de geschiedenisboeken halen als het jaar waarin een eind kwam aan ’de politieke macht van de linkse kerk over Nederland’. Die profetie, uitgesproken in het debat over de regeringsverklaring van het kabinet-Rutte, zal niet uitkomen, om de eenvoudige reden dat die linkse macht helemaal niet bestond en ook nooit heeft bestaan. Het triomfalisme van Wilders moet vooral worden verklaard uit zijn behoefte aan vijandbeelden en aan een eigen mythe.
De christen-democraat Van Agt heeft ooit gezegd dat politiek voor negentig procent optiek en akoestiek is. Die waarneming was niet vrij van cynisme, maar tijdens de heftige polarisatie in de jaren ’60 en ’70 klopte zij wel. In verwarde tijden telt de werkelijkheid minder dan de grote en kleine mythen die politici creëren en is het voor de retorisch begaafden onder hen gemakkelijker emoties en sentimenten te bespelen, ook al zijn ze vals.
Het beeld van een machtige linkse kerk is zo’n mythe. In 1973, het jaar waarin het kabinet-Den Uyl aantrad als het meest progressieve ooit, beschikten PvdA, D66, PPR, CPN en PSP samen over 65 zetels, net zoveel als PvdA, D66, GroenLinks en SP thans bezetten. Deze vergelijking bevestigt het onveranderlijke gegeven in de krachtsverhoudingen in Nederland dat, voor wat deze grove indeling waard is, rechts net wat groter is dan links. Dat links in de jaren zeventig politiek even kon domineren, kwam dan ook niet zozeer voort uit eigen kracht als wel uit de tijdelijke zwakte van het christen-democratische midden.
Het lijkt erop dat Wilders thans dezelfde vergissing begaat als links in de jaren zeventig. Die vergissing is dat hij in zijn zelf geschapen mythe gaat geloven en de werkelijkheid uit het oog verliest. Links verspeelde daardoor een tweede kabinet-Den Uyl en zag eraan voorbij dat het door de werkelijke krachtsverhoudingen onmogelijk was de samenleving naar links model in te richten. Den Uyl zei naderhand zelfs dat bij het aantreden van zijn kabinet het tij voor spreiding van macht, kennis, bezit en inkomen al verlopen was.
Als het al de begeerde politieke uitdrukking van rechts Nederland is, dwingt de werkelijkheid het kabinet-Rutte te zien als een gammele boel. De coalitie van VVD, CDA en PVV, waarop het steunt, beschikt voor de uitvoering van het regeerakkoord over de kleinst mogelijke meerderheid, wat inhoudt dat het 76ste Kamerlid een grote macht heeft. Net als in de jaren zeventig zijn de christen-democraten de zwakste schakel, omdat zij door de zware verkiezingsnederlaag verdeeld, verdoofd en verdoold zijn. Zij kunnen vanuit de partij, noch vanuit de fractie politieke kracht ontwikkelen en zijn een speelbal van de VVD en de PVV.
Tekenend voor de zwakte is dat de positie van minister Leers (immigratie en asiel) nu al op scherp staat. Nog veel erger, want ronduit vernederend voor de partij, is de deerniswekkende dociliteit die Leers aan de dag legt om het vertrouwen van Wilders te behouden. Was hij een politiek leider van formaat geweest, dan had Verhagen deze pijnlijke situaties voorzien. De Nederlandse politiek kan niet zonder pragmatisme, dat naar het woord van Jan Donner doceert dat ’het land toch geregeerd mot worden’, maar je kunt deze houding ook te ver doorvoeren. Zo accepteert kleinzoon Piet Hein nu kennelijk zonder mankeren het taboe op hervorming van het ontslagrecht, terwijl hij met zijn ambities ter zake het vorige kabinet nog op de rand van de afgrond bracht.
De PVV is evenmin een sterke schakel. Wilders en zijn rechterhand Bosma voeden dan wel gretig de mythe over het onheil dat links over Nederland zou hebben gebracht, zij hebben een fors deel van de sociaal-economische inboedel van de meest linkse partij, de SP, overgenomen. Niet alleen Donner, maar ook Rutte heeft zich in de formatie pragmatisch moeten uitrekken om het taboe op hervorming van de arbeidsmarkt te accepteren. Een van de gevolgen is dat de liberale minister van sociale zaken Kamp nu iedereen die parttime werkt, fulltime de arbeidsmarkt op wil jagen om de kosten van de vergrijzing straks op te vangen. Alweer een verlies voor het CDA, dat de keuzevrijheid van partners met kinderen tussen zorg thuis en betaald werk altijd heeft verdedigd, zij het met afnemende overtuiging.
Het verschil tussen mythe en werkelijkheid wordt bij de PVV nog veel groter, nu het Kamerlid Lucassen een gewelddadig verleden lijkt te hebben. In één geval is hij veroordeeld, in andere gevallen zijn er ernstige beschuldigingen tegen hem ingebracht. In het debat over de regeringsverklaring noemde Wilders het streven naar een veiliger Nederland een van de kroonjuwelen van zijn partij. In de formatie had hij daar als een leeuw voor gevochten. In het bijzonder was hij er blij mee dat het woord ’straatterreur’, waar zijn partij twee jaar geleden om werd verguisd, nu in het regeerakkoord was opgenomen. ’Het beestje wordt eindelijk bij de naam genoemd’, zei hij.
De affaire-Lucassen maakt twee dingen duidelijk. Wilders verliest door de snelle groei de greep op zijn kader. Hier keert zich de geslotenheid van de PVV, die haar moest behoeden voor LPF-achtige toestanden, op pijnlijke wijze tegen de club. In een partij met een open en democratisch karakter was Lucassen vermoedelijk niet zo ver gekomen. Veel ernstiger is de gevolgtrekking dat de PVV door haar program en optreden klaarblijkelijk zulke figuren aantrekt. Lucassen is niet het eerste PVV-Kamerlid dat in verband wordt gebracht met gewelddadig gedrag op straat. Dat is een aspect waaraan de VVD en het CDA als coalitiepartners niet klakkeloos voorbij kunnen gaan, laat staan zonder plaatsvervangende schaamte.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.