*

 

Goed doel verzwijgt mislukking

Joop Bouma − 13/10/10, 00:00

De meeste goede doelen vinden dat zij het publiek inzicht moeten geven in mislukkingen, maar ze durven dat niet te doen, uit vrees voor dalende inkomsten.

Lang niet altijd lopen charitatieve projecten uit op succes, maar daarover krijgt de gulle gever meestal niets te horen. Angst voor reputatieschade is het belangrijkste beletsel, blijkt uit een peiling onder 56 charitatieve organisaties in opdracht van accountantsbureau PricewaterhouseCoopers (PwC).

De uitkomsten worden vandaag bekendgemaakt tijdens de jaarlijkse uitreiking van de Transparant Prijs voor het goede doel met de beste financiële en bestuurlijke verslaggeving.

Bijna driekwart (72 procent) van de ondervraagde goede doelen vindt dat de gever recht heeft op inzicht in mislukkingen. Volgens het jaarrapport over de Transparant Prijs 2010 schetsen goede doelen stelselmatig een te rooskleurig beeld van hun activiteiten.

„De mix tussen wat goed ging en wat minder goed ging is nog te veel onderbelicht in de jaarverslagen. In veel verslagen lijkt sprake te zijn van cherry picking’’; alleen de succesvolste projecten worden eruit gelicht. „Open en eerlijke communicatie is wezenlijk voor goede doelen’’, aldus PwC, die samen met de stichting Civil Society initiatiefnemer is van de Transparant Prijs.

Ruim tweehonderd goede doelen, met een gezamenlijk ’inkomen’ van 2,8 miljard euro, dingen mee.

Volgens PwC worstelen goede doelen met het zichtbaar maken van wat het effect is van hun werk. Een meerderheid van de goede doelen vindt van zichzelf dat ze wel transparant zijn over wat ze doen, maar erkent dat ze dat niet zijn over het effect dat ze daadwerkelijk bereiken, de maatschappelijke impact.

Bijna een vijfde (18 procent) van de goede doelen gaat niet eens na of de inspanningen hebben geleid tot het gewenste effect. Hierbij gaat het vooral om kleinere organisaties.

Opvallend is dat bijna alle onderzochte organisaties vinden dat het goed mogelijk is om de impact transparant te maken voor het publiek. De meeste organisaties die dat al doen, geven zichzelf daarvoor een 7 als rapportcijfer. Een objectieve, wetenschappelijke methode om impact te meten bestaat echter nog niet.

Het Erasmus Centrum voor Strategische Filantropie ontwikkelt en beproeft een methode om de impact te voorspellen. Op basis van een aantal criteria op het gebied van organisatie, toezicht, verantwoording en samenwerking kunnen charitatieve organisaties nagaan of ze hun eigen doelstellingen zullen halen.

Binnenkort maakt het centrum samen met het Centraal Informatiepunt Goede Doelen een eerste onderzoek openbaar naar de verwachte impact onder goede doelen op het gebied van gezondheidszorg en gehandicaptenzorg.

Impactmeting kan ook intern bij goede doelen op weerstand stuiten, zo blijkt uit het rapport van PwC. Een van de goede doelen zei: „Medewerkers houden er niet van om hun briljante of minder briljante mislukkingen te communiceren, áls ze al door hebben dat dingen niet zijn gelukt. Er zijn meestal ook delen van zo’n project wel gelukt. En daar houdt men zich dan aan vast.’’

mailIcon print |